|
Ratio Emotionis, Ratio Legis, Ratio Rationis de zaak Wilders 2008 - 2010
trefwoorden: haat, discriminatie, godsdienst, ras, islam, moslims, Marokkanen ratio emotionis – ratio legis – ratio rationis – conclusie inleiding Op 20 januari 2010 begint in Amsterdam een rechtszaak tegen de PVV politicus Geert Wilders op beschuldiging van het opzettelijk beledigen en het aanzetten tot haat en/of discriminatie van mensen [sc moslims] wegens hun godsdienst [sc islam] en/of ras [sc niet-westerse allochtonen en/of Marokkanen]. Naar aanleiding van publieke uitlatingen van Geert Wilders zoals weergegeven in de media (zie de dagvaarding) en naar aanleiding van zijn korte film Fitna worden in 2007 en 2008 meerdere klachten ingediend, die door het Openbaar Ministerie te Amsterdam (hierna OM) uitgebreid worden bestudeerd, waarbij ook het advies van het Landelijk Expertise Centrum Discriminatie (LECD) wordt ingewonnen. Het OM besluit om niet tot vervolging over te gaan (30 juni 2008). De argumentatie van het OM komt samengevat hierop neer. Wilders’ uitlatingen zijn gedaan binnen de context van het maatschappelijk debat. Een uitlating is alleen strafbaar als deze objectief gezien discriminerend is en gedaan wordt buiten de context van het maatschappelijk debat. Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna EHRM) heeft beslist dat in een politiek debat beledigende uitlatingen kunnen worden gedaan die kwetsend en schokkend zijn voor bepaalde groepen, zonder dat die uitlatingen strafbaar zijn. De uitlatingen van Wilders waren naar het oordeel van het OM niet meer grievend dan door de inhoud van het debat gerechtvaardigd is. Wilders' kritiek betreft de islam, en kritiek op een godsdienst valt niet onder het discriminatieverbod, tenzij hierbij tevens beledigende conclusies worden getrokken over de aanhangers van die godsdienst. Wilders schetst een tweedeling tussen de godsdienst islam en de Nederlandse samenleving, maar niet zonder meer tussen moslims en de Nederlandse samenleving. Er is dus geen sprake van opruiïng of aanzetten tot haat tegen moslims. Meerdere ‘klagers’ gaan tegen deze beslissing van het OM in beroep bij het Gerechtshof van Amsterdam (hierna het HOF) en beargumenteren waarom zij het niet eens zijn met de overwegingen en beslissing van het OM. Veel van deze argumenten worden overgenomen en uitgewerkt door het HOF en komen iets lager aan de orde. In zijn verweer zegt Wilders onder meer: "Ik heb niets tegen groepen mensen en ik heb ook niets tegen moslims. In het verleden heb ik alle Islamitische en Arabische landen bezocht en ben daarbij altijd prachtige en vriendelijke mensen tegen gekomen. (..) Ik heb in die landen dan ook gevochten tegen de vervolging van journalisten, intellectuelen en vrouwen. Ook in Nederland heb ik moties ingediend met de strekking om homoseksuele moslims te beschermen en het tuig aan te pakken die daags na de moord op Theo van Gogh moskeeën in brand staken. (..) Ik heb - als gezegd - echter niets tegen moslims, maar wel tegen de islamitische ideologie. Ik zie dat als een groot gevaar. (..) De islam staat geweld toe en in sommige gevallen gebiedt het dat zelfs." De advocaat-generaal (hierna AG) legt onder meer nadruk op de context waarin de uitlatingen zijn gedaan: het maatschappelijk debat, en stelt: "De rechtspraak van het EHRM is hierbij van groot belang. Daaruit kan worden afgeleid dat politici een zeer sterke bescherming van hun vrijheid van meningsuiting genieten en dat inbreuken daarop niet snel zijn te rechtvaardigen. Zelfs niet als deze uitlatingen ‘offend, shock or disturb’." Wilders’ kritiek op de islam is geen aantasting van de eigenwaarde of het in diskrediet brengen van een groep en alleen dat is strafbaar in Nederland. Het beschimpen van religeuze symbolen is in sommige andere landen strafbaar (en daarop heeft de Europese jurisprudentie dan ook betrekking), in Nederland is dat echter niet strafbaar, zodat een beroep op de Europese jurisprudentie op dit punt niet ter zake is, temeer omdat de Europese jurisprudentie nadrukkelijk rekening houdt met dit soort verschillen tussen landen (‘margin of appreciation’). Wilders brengt een harde politieke boodschap, maar spoort niet aan tot haat, discriminatie of gewelddadig optreden. Hij gaat tot de rand, maar overschrijdt niet de grens, naar het oordeel van de AG. Het HOF acht de klagers ontvankelijk, omdat er bij hen vrees bestaat voor ‘een gevaarlijke verstoring van het maatschappelijk leven en het publieke debat en de democratische rechtsorde’ en zij in die zin als ‘rechtstreeks belanghebbenden’ zijn aan te merken. Het HOF is zich bewust van het klassieke probleem inzake de botsing van grondrechten: vrije meningsuiting & vrijheid van godsdienst. Volgens het HOF heeft de uitleg die door het EHRM aan artikel 10 EVRM is gegeven, de bescherming van de vrije meningsuiting op basis van artikel 7 Gw overvleugeld. [..] Het HOF is van mening dat de uitlatingen van Wilders ‘de moslimgelovigen wezenlijk in hun religieuze waardigheid aantasten’ en dat hij ‘door de symbolen van het moslimgeloof aan te tasten [door de Koran met ‘Mein Kampf’ te vergelijken en door voor te stellen om ook de Koran te verbieden ] wel degelijk de moslimgelovigen zelf heeft beledigd’. Het HOF oordeelt dat de uitlatingen van Wilders, zoals opgesomd in paragraaf 4 van hun beschikking, in samenhang bezien geschikt zijn om haat te zaaien en aan te zetten tot discriminatie, niet alleen vanwege de inhoud maar ook vanwege de wijze van presenteren. (..) Die wijze van presenteren, zeker in combinatie met de inhoud, tast de moslims in hun waardigheid wezenlijk aan. (..) [Uitingen van GW zijn er] kennelijk erop gericht om bij de Nederlandse bevolking conflictueuze tweespalt te veroorzaken ten opzichte van de islamitische bevolkingsgroep, om de Nederlandse bevolking jegens die groep gelovigen tot discriminatie, intolerantie, minachting en vijandschap te bewegen alsmede om voor hen angst aan te jagen. (..) zoals bv zijn uitspraak ‘'De grenzen dicht, geen islamieten meer Nederland in, veel moslims Nederland uit.' [ in welke context uitgesproken? in De Pers van 13 februari 2007 ] Het haatzaai-artikel in het Wetboek van Strafrecht had, blijkens zijn ontstaansgeschiedenis gedurende de jaren dertig van de vorige eeuw, uitgerekend een politieke achtergrond. Juist de scheldpartijen en haatcampagnes van politieke groeperingen tegen andersdenkenden (zoals de joden, de christenen en de kapitalisten) vormden de directe aanleiding om het haatzaaien tot strafbaar feit te verklaren teneinde, zoals de toenmalige regering dat uitdrukte, beletselen op te werpen tegen ‘de volksverruwing in woord en geschrift’ en tegen ‘de volksvergiftiging die haat en wrok in de harten zaait en dreigt gevaarlijke stemmingen in een deel van het volk teweeg te brengen. (..). De context van Wilders’ uitlatingen maakt zichtbaar dat hij voortdurend een relatie legt tussen de islam en de aanhangers van het islamgeloof (bijv: ‘Ik heb genoeg van de islam: geen moslimimmigrant er meer bij’, en: ‘Als moslims hier willen blijven, moeten ze de helft uit de Koran scheuren en weggooien’). (..) Wilders’ gewraakte uitlatingen zijn naar het oordeel van het HOF geschikt om het strafbare gevolg [sc haat zaaien en discrimineren] tot stand te brengen, los van de vraag of het oogmerk daarop was gericht en evenmin of het effect ook daadwerkelijk is gerealiseerd. (..) Het HOF is ook van oordeel dat Wilders’ strafvervolging en daarmee beperking van zijn vrijheid van meningsuiting toelaatbaar is op grond van artikel 10 EVRM, omdat voldaan wordt aan de criteria: de beperking moet bij de wet zijn voorzien, in een democratische samenleving noodzakelijk zijn en een legitiem doel dienen, zoals het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten dan wel de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen. (..) Het HOF is van oordeel dat Wilders door zijn ontoelaatbare meningsuitingen moslimgelovigen feitelijk van deelname aan het maatschappelijk debat uitsluit. Daarin ligt het strafrechtelijk verwijt aan Wilders, die met zijn harde en algemene diskwalificaties handelt in strijd met de grondvoorwaarde van een stabiele democratie. Op grond van de voorgaande overwegingen beveelt het HOF de officier van justitie te Amsterdam om Wilders te dagvaarden ter zake van het aanzetten tot haat en discriminatie (artikel 137d Sr) alsmede ter zake van groepsbelediging voorzover het betreft diens vergelijkingen met het nazisme (artikel 137c Sr). In de lijn van deze beslissing van het HOF ontvangt Wilders een dagvaarding, waarin hij wordt beschuldigd van het opzettelijk beledigen en het aanzetten tot haat en/of discriminatie vanwege godsdienst [sc islam, moslims] en/of ras [sc sc niet-westerse allochtonen en/of Marokkanen]. Op 13 januari 2010 is de behandeling van het bezwaarschrift dat de PVV-voorman tegen de dagvaarding heeft ingediend. De rechtbank van Amsterdam wijst het bezwaar van Geert Wilders tegen zijn vervolging af. (..) De zaak begint op 20 januari 2010 met een zogenaamde regie-zitting, waarop alleen formele afspraken worden gemaakt met het oog op een latere inhoudelijke behandeling van de zaak. (.. voortgang zaak..) Hieronder schets ik verschillende invalshoeken, vanwaaruit ‘de zaak Wilders’ is te analyseren. Elke invalshoek heeft een eigen dynamiek, ook al zijn ze in de praktijk met elkaar verweven. Allereerst hoe (schokkende) gebeurtenissen en feiten een directe invloed hebben op de emoties en primaire reacties van mensen (ratio emotionis). Daarna de manier waarop de overheid (pre-primair als wetgever en secundair als aanklager) en de rechterlijke macht (secundair als rechtspreker) omgaan met schokkende gebeurtenissen en feiten (ratio legis). Tot slot hoe filosofische reflectie (als integratie van pre-primaire, primaire en secundaire interacties) grotere afstand aan dieper inzicht paart (wat mooi klinkt, maar nog maar moet blijken). ratio emotionis Zie een overzicht van (schokkende) gebeurtenissen en feiten uit de tijd dat de ‘zaak Wilders’ speelt: klik op de volgende link. Welke conclusie(s) trekt U als lezer uit de genoemde gebeurtenissen en feiten? ratio legis De ‘ratio legis’ is de funderende hoofdgedachte die aan een wet ten grondslag ligt en een beschrijving van het doel dat deze wet beoogt. Bij het vaststellen van de ‘ratio legis’ wordt vaak teruggegrepen op de ontstaansgeschiedenis van de wet. Er is een onvermijdelijke spanning tussen de ‘ratio legis’ en ‘lex’ (de wet zelf). In het Duitse strafrecht spreekt men bv van een ‘Strafüberhang’ als de ‘lex’ verder reikt dan de ‘ratio legis’, en van een ‘Straflücke’ wanneer de ‘ratio legis’ verder reikt dan de ‘lex’. Wilders wordt geen ‘godslastering’ (147 Sr) ten laste gelegd (ook al is hierom wel verzocht door bepaalde klagers). Toch is het contextueel ter zake om iets weer te geven van de ‘ratio legis’ van het delict godslastering, dat, na lang afwezig te zijn geweest, weer in het Nederlandse strafrecht terugkeerde in 1932. De geschiedenis van het delict godslastering laat, als het gaat om de ratio legis, in grote lijnen twee belangrijke ankers zien. Vanuit de Mozaïsche wetgeving komt vooral de angst voor de wraak van God als belangrijkste reden voor de strafbaarstelling. Uit de Romeinsrechtelijke wetgeving komt een heel ander motief, namelijk de bescherming van de openbare orde als ratio. Door de eeuwen heen lijkt nu eens de Mozaïsche, dan weer de Romeinsrechtelijke ratio als het belangrijkste motief voor de strafbaarstelling op de voorgrond te treden. Wat bescherming verdient bij de strafbaarstelling van godslastering, ontwikkelt zich dus in de loop van de geschiedenis. In de pre-moderne tijd is dat ‘de eer van God’ (met als gevolg vervolgingspraktijken tegen andersdenkenden en andersgelovigen). Vanaf de Verlichting zijn dat de religieuze instituties, omdat ze in niet geringe mate bijdragen tot het morele ordeningsprofiel van de samenleving. Dat ontwikkelt zich vervolgens tot de beschermwaardigheid van de maatschappelijke orde, de ‘publieke vrede’. Zodat het niet vreemd is dat de Nederlandse jurisprudentie na 1932 zich niet specifiek gericht heeft op religiebescherming als te beschermen rechtsgoed (WODC, 2006). Wilders wordt beschuldigd van belediging, discriminatie en haat zaaien (137c,d, Sr). Het onderdeel van 137 Sr dat discriminatie van bevolkingsgroepen strafbaar stelt, is ongeveer gelijktijdig met het godslasteringsartikel in de woelige crisisjaren dertig van de 20e eeuw ontstaan. Artikel 137c verbiedt om beledigende uitlatingen over een groep mensen te doen wegens hun godsdienst of levensovertuiging. Deze bepaling stamt uit 1934 en is indertijd in de wet opgenomen vooral met het doel om antisemitisme te bestrijden. De ratio van artikel 137c (en volgende) Sr is nauw verbonden aan de preambule en de artikelen van het Internationaal Verdrag van New York van 1966. Problematisch is dat dit verdrag alleen de bestrijding van rassendiscriminatie betrof en het verbod van godsdienstdiscriminatie daaraan door de (Nederlandse) wetgever is toegevoegd. Janssens en Nieuwenhuis (2005, p. 130-131) schrijven dat het na de wetswijziging van 1971 moeilijker is geworden om de ratio legis ervan vast te stellen. Literatuur en rechtspraak zijn eensluidend over de betekenis van ‘beledigend uitlaten’. Het moet gaan om het aantasten van de eigenwaarde of het in diskrediet brengen van de groep, omdát die van een bepaalde godsdienst is. Het beschermd belang is non-discriminatie, waarbij het primair gaat om krenking van de eer en waardigheid op bepaalde gronden (Cleiren, 2006) Het leveren van kritiek op een bepaalde godsdienst is nadrukkelijk niet strafbaar. Per gelijke wetswijziging werd in 1971 een nieuw artikel 137d Sr ingevoerd, kortweg inhoudende het verbod op het aanzetten tot haat tegen of discriminatie van mensen wegens hun godsdienst. ‘Aanzetten tot haat’ is door de wetgever in deze bepaling bedoeld als het (opzettelijk) agiteren, als het opruien door openlijk uiting geven aan vijandschap of grove minachting. ‘Haat’ dient hier taalkundig te worden uitgelegd. Dus, hier gaat het om het uiting geven aan een gevoel van diepe afkeer voor de godsdienst van een groep mensen, gepaard met het onverzoenlijke verlangen om die groep te (zien) verdelgen (WODC, 2006). Legal moralism veronderstelt dat kwetsende uitingen de publieke moraal verzieken en verzwakken. Legal moralism is snel(ler) geneigd tegemoet te komen aan gevoelens van beledigd zijn. Emotionele problemen bij ontvangers (frustratie; irritatie; woede) vormen echter op zichzelf geen argument voor beperking van de vrijheid van meningsuiting. Dat argument zou beter gezocht kunnen worden in de sfeer van schade. Schade impliceert dat belangen worden aangetast. Het schadebeginsel kent vier varianten: directe (psycho-sociale) schade aan slachtoffers, indirecte schade door stemmingmakerij, speciale schade door als ‘minder mens’ te worden gekwalificeerd, en (potentiële) schade aan de samenleving (openbare orde). Uitdrukkingen als ‘christenen zijn ondermensen’ en ‘islamieten moeten ze de zee in sturen’ zijn onaanvaardbaar omdat ze de gelijke menselijke waardigheid ondermijnen. Verwerpelijke ideeën brengen de openbare orde niet in gevaar. Maar wanneer de fysieke integriteit van derden manifest wordt bedreigd, kan overheidsingrijpen worden verantwoord. Het moet dan gaan om reële, aanwijsbare en directe vormen van bedreiging (in Amerikaanse termen moet er sprake zijn van een ‘clear and present danger’) (WODC, 2006). Impliceert kritiek op een godsdienst (noodzakelijk) dscriminatie en aanzetten tot haat tegen personen die aanhangers zijn van deze godsdienst? En leidt dit (aantoonbaar) tot verstoring van de openbare orde? Daartoe moet niet te gemakkelijk geconcludeerd worden. Het kan niet zo zijn dat gelovigen kunnen aanvallen met het zwaard van de meningsuiting, en vervolgens de tegenstander kunnen ontwapenen met het zwaard van de vrijheid van godsdienst. (Nieuwenhuis, 2004) De slachtofferrol die bepaalde groepen orthodoxe gelovigen vaak vertolken wanneer hun god is bezoedeld, lijkt ongerijmd in die zin dat zij niet schromen om groepen zondaars te verketteren en haat te zaaien jegens andersgelovigen en niet-gelovigen. Dat maakt hun positie er niet consistenter op (WODC, 2006). Ook in andere landen is het bepalen van de grenzen van kritiek op godsdiensten en hun aanhangers voorwerp van verhitte debatten. Zo heeft de Select Commission van het House of Lords in Engeland zich gebogen over ‘religious offences’ en forse kritiek geuit op de criminalisering van haat en de strafverzwaringen. Volgens de commissie is haat op zichzelf geen misdaad en hoort dat ook niet te zijn. Er is veel voor te zeggen haatuitingen als normale en spontane verschijnselen op te vatten die bij het menselijk bestaan horen. Het is in ieder geval irreëel haat in al zijn variëteit uit te bannen. Sullivan (1999) pleit er zelfs voor het concept haat [in de wetgeving] helemaal los te laten. Haat is volgens hem een sociaal fenomeen, zonder enige rechtsgrond of wettelijke basis. Pleitbezorgers van grotere inperking van de vrijheid van meningsuiting menen daarentegen dat haatuitingen actieve bestrijding behoeven. Deelname van racisten aan het debat zou bestaande dominante stereotypen versterken en leden van minderheden er juist van af houden hun mening te uiten. Bovendien wordt de veronderstelling dat ‘hate speech’ niet tot geweld zou leiden bekritiseerd. Haat en geweld zijn volgens hen onafscheidelijk met elkaar verbonden. In de VS mag haatwetgeving geen ‘opvattingen’ (sc ‘hate speech’) straffen, ‘hate crime’ refereert dan ook niet aan uitingen, maar aan gedragingen zoals geweld, bedreiging, intimidatie, vandalisme en vernieling van eigendommen, zodat bv racistische motieven bij delicten strafverzwarend werken. ratio rationis Het bevel van het HOF om Wilders alsnog te vervolgen werd uitgevaardigd 150 jaar nadat van de Engelse filosoof John Stuart Mill het essay On Liberty verscheen. Volgens Mill zijn meningen op zich niet direct schadelijk voor anderen en kunnen ze dus geen onderwerp van dwangmatige overheidsregulering of censuur worden. In het Engels drukt men dit als volgt uit: Sticks and stones can break my bones, but words can never hurt me. Mill verdedigt het vrijheidsprincipe los van de juistheid of de morele waarde van de opinies. Dat een opvatting immoreel, onjuist, shockerend of beledigend is, is op zich geen reden voor censuur, dwingend paternalisme of een strafrechtelijke ingreep. Dit zou immers betekenen dat iedereen die zich door een al dan niet goed beargumenteerde woordenwisseling gekwetst voelt, de tegenstrever het zwijgen zou kunnen opleggen door een beroep te doen op censuur. Op die manier lopen we het risico dat alle kritiek verboden wordt. Dit ondermijnt natuurlijk de mogelijkheid van elke publiek debat en van elke inhoudelijke politieke en morele confrontatie. Meningen die duidelijk aanzetten tot geweld (performatief taalgebruik) vallen echter niet onder de vrijheid van meningsuiting. Voor een fatwa waarin wordt opgeroepen om een schrijver te doden, kan er dus geen plaats zijn. Volgens Mill zal de strafrechter dus pas tot een veroordeling mogen overgaan als kan worden aangetoond dat Wilders performatieve taal heeft gebruikt waarin hij oproept om de moslims reële schade toe te brengen. Op het einde van Fitna roept Wilders inderdaad op om tegen de islam te strijden, net zoals we in het verleden tegen het Fascisme en het Communisme hebben gestreden. Hij stelt echter niet met zoveel woorden dat deze strijd met geweld moet gevoerd worden. (Patrick Loobuyck) In een schets over de dynamiek van menselijk geweld (..) conclusie In hoeverre vallen gevoelens, meningen en daden onder het bereik van het strafrecht? Kort samengevat staan de volgende uitlatingen van Wilders ter discussie:
De vraag is niet aan de orde of Wilders gelijk heeft (rechtspraak is niet bedoeld voor het vaststellen van de ‘juiste meningen’), maar of zijn uitlatingen strafbaar zijn in de zin van de geldende wetten. Als het aannemelijk is te maken dat kritiek op meningen (zoals in dit geval religieuze opvattingen) in een explosieve context mogelijkerwijs zou kunnen leiden tot (een verheviging van) gewelddadige acties en reacties, is dat dan een gegronde en voldoende reden om aan het uiten van deze kritiek beperkingen op te leggen? Dat zou verdedigbaar zijn met het oog op een acute of actuele bedreiging van de openbare orde. Dit lijkt echter (nog) niet aan de orde te zijn voor wat betreft de huidige maatschappelijke context van de uitlatingen van Wilders. Er is geen sprake van zoiets als een ‘clear and present danger’. En zolang daarvan geen sprake is, hoort een oproep tot matiging van toon vanuit de overweging dat onnodig beledigende uitlatingen mogelijkerwijs op langere termijn tot escalatie zouden kunnen leiden, thuis op andere platformen dan die van het strafrecht. Mensen zijn gelijkwaardig, meningen niet. Een aanval op meningen is niet (sc impliceert niet noodzakelijk) een aanval op de mensen die deze meningen hebben, tenzij deze aanval is ingebed in een (gewelddadige) bedreiging van hun rechtszekerheid. Keert Wilders zich, in tegenstelling tot de radicale islamisten die hij primair bestrijdt, consistent tegen het toepassen van daadwerkelijke discriminatie en geweld tegen andersdenkenden? Om die vraag te kunnen beantwoorden, is het van belang om niet alleen de uitlatingen van Wilders die in de dagvaarding zijn geciteerd te overwegen, maar daarbij ook andere uitlatingen te betrekken die hij deed en die mogelijk als verduidelijkend of zelfs als ‘ontlastend’ aangevoerd kunnen worden. Enerzijds stelt Wilders: ‘Ik heb nog steeds alleen iets tegen de religie, niet tegen de mensen.’ en ‘Als moslims wel assimileren, dan zijn het ook volwaardige burgers, geen millimeter minder waard dan jij of ik.’ en ‘Er zijn zeker gematigde mensen die zichzelf moslim noemen en onze wetten respecteren. De Partij voor de Vrijheid heeft natuurlijk niets tegen hen’. Anderzijds doet hij uitspraken zoals ‘de grenzen dicht voor alle niet-westerse allochtonen (..) geen islamieten meer Nederland in (..) geen moslimimmigrant er meer bij (..) wie zich niet aanpast aan ‘onze dominantie cultuur’, wordt het land uitgezet (..) veel moslims Nederland uit’. Zonder de bij ‘enerzijds’ genoemde uitspraken, zouden de bij ‘anderzijds’ genoemde uitspraken opgevat kunnen worden als discriminerend: mensen worden daarin het verblijfsrecht ontzegd, alleen op grond van het feit dat ze een bepaalde godsdienst aanhangen. In hun samenhang zijn Wilders’ uitspraken echter op te vatten als de stelling dat niet-gematigde moslims (sc radicale islamisten) die de Nederlandse wetten niet respecteren (sc de rechtsorde gewelddadig verstoren of daartoe aanzetten) strafbaar zijn en dat het wenselijk zou zijn deze mensen zo mogelijk uit te zetten uit de Nederlandse samenleving. Dat is een radicale (politieke) stellingname, maar als zodanig niet discriminerend volgens art. 137d Sv en derhalve niet strafbaar. Links naar abstracts in het Nederlands text in abstracts between [ ] = notes OBW Moors, H. e.a., Polarisatie en radicalisering in Nederland. Een verkenning van de stand van zaken in 2009, IVA beleidsonderzoek 2009 Lawson, R., Wild, wilder, wildst. Over de ruimte die het EVRM laat voor de vervolging van kwetsende politici, NJCM-Bulletin 2008 Stokkom, B. van, H. Sackers, J.P. Wils, Godslastering, discriminerende uitingen wegens godsdienst en haatuitingen: een inventariserende studie (WODC Went, F.H., Toevoegen of schrappen van discriminatiegronden in artikel 137c Sr? 2007 Sites Fitna in het Engels vrijheid van meningsuiting: http://nl.wikipedia.org/wiki/Vrijheid_van_meningsuiting de vrijheid van meningsuiting omvat volgens het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens óók het recht om te beledigen. EHRM 24 februari 1997: "freedom of expression is applicable not only to 'information' or 'ideas' that are favourably received or regarded as inoffensive or as a matter of indifference, but also to those that offend, shock or disturb the State or any section of the community. (..) "journalistic freedom also covers possible recourse to a degree of exaggeration, or even provocation" haatspraak: http://nl.wikipedia.org/wiki/Hatespeech Volksverhetzung (strafbaarstelling van holocaustontkenning en het verspreiden van nazistische ideeën en symbolen in Duistland) http://nl.wikipedia.org/wiki/Volksverhetzung Literatuur Cleiren, C.P.M. en J.F. Nijboer, Strafrecht, tekst & commentaar, 2006 Janssens, A.L.J., Strafbare belediging, 1998 Janssens, A.L.J. en A.J. Nieuwenhuis, Uitingsdelicten, 2005 Lawson, R., Wild, wilder, wildst. Over de ruimte die het EVRM laat voor de vervolging van kwetsende politici, NJCM-Bulletin, 2008 Moors, H. e.a., Polarisatie en radicalisering in Nederland. Een verkenning van de stand van zaken in 2009, IVA beleidsonderzoek 2009 Nieuwenhuis, A.J., Godsdienstvrijheid en bijdragen aan het maatschappelijk debat, NJCM-bulletin, nr. 2, p. 154-166, 2004 Stokkom, B. van, H. Sackers, J.P. Wils, Godslastering, discriminerende uitingen wegens godsdienst en haatuitingen: een inventariserende studie (WODC onderzoek), 2006 Sullivan, A. What’s so bad about hate? The illogic and illiberalism behind hate crime laws, New York Times Magazine, 26 september 1999 Went, F.H., Toevoegen of schrappen van discriminatiegronden in artikel 137c Sr? 2007 Abstracts op deze pagina text in abstracts between [ ] = notes OBW Hoge Raad (hiena HR), 10 maart 2009, Belediging religie IEPT20090310 Poster met de tekst "Stop het gezwel dat Islam heet. Theo is voor ons gestorven, wie wordt nu de volgende? Kom in verzet NU. Nationale Alliantie, wij buigen niet voor Allah. Word lid! N.A. (..)" Het hof van ‘s Hertogenbosch (dat de verdachte veroordeelde) overweegt dienaangaande als volgt. Het hof is van oordeel dat de uiting op de poster "Stop het gezwel dat Islam heet", zowel op zichzelf beschouwd als bezien in de context waarin deze uiting is gedaan als beledigend is aan te merken voor mensen die deel uitmaken van de islamitische geloofsgemeenschap. Door de Islam aan te duiden als een gezwel, en daarmee tot uitdrukking te brengen dat het daarbij gaat om iets kwaadaardigs dat verwijderd of uitgebannen zou moeten worden, heeft verdachte zich middels de tekst op de poster onnodig grievend uitgelaten over de Islam, en gezien de verbondenheid tussen de Islam en haar gelovigen, ook ten aanzien van die groep mensen die de Islam belijden. Verdachte heeft daarmee, ook bezien tegen de achtergrond dat de betreffende poster kenbaar afkomstig was van de Nationale Alliantie en het gegeven dat het feit zich vlak na de moord op Theo van Gogh heeft afgespeeld, de grenzen van hetgeen in het licht van het recht op vrijheid van meningsuiting toelaatbaar moet worden geacht overschreden. De HR oordeelt echter: Art. 137c Sr stelt strafbaar het zich beledigend uitlaten "over een groep mensen wegens hun godsdienst", doch niet het zich beledigend uitlaten over een godsdienst, ook niet indien dit geschiedt op zo'n wijze dat de aanhangers van die godsdienst daardoor in hun godsdienstige gevoelens worden gekrenkt. Strafbaar is enkel het zich nodeloos krenkend uitlaten over een groep mensen omdat deze een bepaalde godsdienst aanhangt. Het beledigen van een groep mensen wegens hun godsdienst valt - aldus de wetsgeschiedenis - immers alleen onder art. 137c Sr als men de mensen, behorend tot die groep, collectief treft in hetgeen voor die groep kenmerkend is, namelijk in hun godsdienst, en men hen beledigt juist omdat zij van dat geloof zijn. Alle, zelfs felle kritiek op opvattingen die in die groep leven of op het gedrag van hen, die tot de groep behoren, blijft buiten het bereik van art. 137c Sr. 2.5.2. Gelet op de beperkte reikwijdte van art. 137c Sr die door de wetgever is beoogd, vereist deze bepaling dat de uitlating onmiskenbaar betrekking heeft op een bepaalde groep mensen die door hun godsdienst wordt gekenmerkt en zich daardoor onderscheidt van anderen. De enkele omstandigheid dat grievende uitlatingen over een godsdienst ook de aanhangers van die godsdienst krenken, is niet voldoende om die uitlatingen te kunnen gelijkstellen met uitlatingen over die aanhangers, dus over een groep mensen wegens hun godsdienst in de zin van art. 137c Sr. Naar uit het voorgaande volgt, heeft het Hof aldus blijk gegeven van een te ruime - en dus onjuiste - opvatting omtrent de in art. 137c, eerste lid, Sr voor-komende uitdrukking "een groep mensen wegens hun godsdienst". De Hoge Raad zal om doelmatigheidsredenen zelf de zaak afdoen en de verdachte van het hem tenlastege-legde vrijspreken. Brief van de minister van justitie van 29 mei 2009 aan de Tweede Kamer naar aanleiding van vragen naar aanleiding van deze uitspraak van de HR: http://static.ikregeer.nl/pdf/KST131665.pdf De uitspraak maakt volgens de minister het eerder voorgestelde verduidelijken van 137c overbodig. Onduidelijk blijft waarom daaruit zou volgen dat het zinvol zou zijn om 147 Sr in stand te houden. Vergelijk de zaak Norwood (EHRM, 16 november 2004), die een opvallende gelijkenis heeft met de bovenstaande zaak waarin de HR zich uitsprak. Betrokkene, een actief lid van de extreemrechtse British National Party (BNP), had tussen november 2001 en 9 januari 2002 een poster opgehangen voor het raam van zijn appartement op de eerste verdieping. De poster was verstrekt door de BNP. Erop was een foto afgebeeld van de brandende Twin Towers, een verbodsbord met daarin een halve maan en ster, en de tekst "Islam out of Britain - Protect the British People". Naar aanleiding van een klacht werd de poster verwijderd door de politie. Verdachte werd uiteindelijk veroordeeld voor het Engelse equivalent van artikel 137d Sr. Een beroep op art. 10 EVRM mocht niet baten. Het EHRM maakte een afweging van art. 10 en artikel 17 EVRM: "The general purpose of Article 17 is to prevent individuals or groups with totalitarian aims from exploiting in their own interests the principles enunciated by the Convention. The Court, and previously, the European Commission of Human Rights, has found in particular that the freedom of expression guaranteed under Article 10 of the Convention may not be invoked in a sense contrary to Article 17 (..) Such a general, vehement attack against a religious group, linking the group as a whole with a grave act of terrorism, is incompatible with the values proclaimed and guaranteed by the Convention, notably tolerance, social peace and non-discrimination." Foto, afbeeldingen en tekst roepen de associatie op dat het nodig is voor de bescherming van de Engelse bevolking tegen terrorisme om de moslims het land uit te zetten. Dat is volgens het EHRM een ontoelaatbare aanzet tot haat/discriminiatie. Vergelijk ook de zaak Féret vs Belgium (EHRM, 16 juli 2009), waarin uitgesproken werd: ‘The Court held by 4 votes to 3 that there had been no violation of Article 10 (freedom of expression) of the European Convention on Human Rights in respect of the conviction of the applicant, chairman of the political party "Front National", for publicly inciting discrimination or hatred, following complaints concerning leaflets distributed by that party during election campaigns.’ (..) ‘Between July 1999 and October 2001 the distribution of leaflets and posters by his party, in connection with the election campaigns of the Front National, led to complaints by individuals and associations for incitation of hatred, discrimination and violence, filed under a law of 30 July 1981 which penalised certain acts inspired by racism or xenophobia.’ (..) ‘The [Brussels] court [of appeal] found that the offending conduct on the part of Mr Féret had not fallen within his parliamentary activity and that the leaflets contained passages that represented a clear and deliberate incitation of discrimination, segregation or hatred, and even violence, for reasons of race, colour or national or ethnic origin.’ (..) ‘The [EHRM] Court observed that the leaflets presented the communities in question as criminally-minded and keen to exploit the benefits they derived from living in Belgium, and that they also sought to make fun of the immigrants concerned, with the inevitable risk of arousing, particularly among less knowledgeable members of the public [eeh...!], feelings of distrust, rejection or even hatred towards foreigners. While freedom of expression was important for everybody, it was especially so for an elected representative of the people: he or she represented the electorate and defended their interests. However, the Court reiterated that it was crucial for politicians, when expressing themselves in public, to avoid comments that might [eeh...!] foster intolerance. The impact of racist and xenophobic discourse was magnified in an electoral context, in which arguments naturally became more forceful. To recommend solutions to immigration-related problems by advocating racial discrimination was likely to cause social tension and undermine trust in democratic institutions. In the present case there had been a compelling social need to protect the rights of the immigrant community, as the Belgian courts had done.’ De ‘dissenting opinion’ van 3 van de 4 rechters bevat (in Google-vertaling Frans>Engels) de volgende overwegingen: ‘I fear that freedom of expression is sacrificed to a policy of non-discrimination, relying on methods that restrict the fundamental rights guaranteed by the Convention without compelling reason. (..) The ability to regulate speech because of its content alone, and restrictions and made this speech based on the idea that certain words go against the spirit of the Convention. But a "spirit" does not provide clear standards and opens the door to abuse. Human beings, including judges, tend to qualify their opinions do not agree absolutely intolerable and thus to exclude them from the sphere of protected expression. (..) Many of the statements of Mr. Feret are clearly the domain of political criticism because they are directed against the Government and political parties and cons policy favorable to immigrants (..)The ruling acknowledges that the statements of Mr. Feret fall under "political speech". According to the jurisprudence of the Court, restrictions can be made to the political discourse only if compelling reasons so demand. (..) the range of unpleasant insinuation of Mr. Feret is not inherently racist. Racism is a single class in history when analyzed in terms of practical implications are unmistakable hers, genocide and slavery including. (..) the Convention on the Elimination of All Forms of Racial Discrimination (CERD) distinguishes unambiguously racism and other forms of discrimination. Ignoring this distinction, is to run the risk of trivialization of racism and encourage the adoption of restrictive measures in excess. (..) It is not wise to extend the well-established meaning of an expression suspect. If it's red light must stop it but the authorities absorb the red light lights orange and green, then the police will issue tickets to all motorists and all crossings. (..) It is possible that a number of opinions identified are shared by people undeniably racist but we can not declare someone guilty by association with others, especially for comments. Article 4 of CERD requires only to punish incitement to racial discrimination and incitement to acts of violence against any race or group of persons of another color or another ethnicity. The ruling, however, refers to a different definition is broader, hate speech, that which gives the appendix to Recommendation No. R (97) 20 of the Committee of Ministers of the Council of Europe on "hate speech "of October 30, 1997. This recommendation (not binding!) On the media and therefore can not apply in this case, it was designed to determine what should be prohibited radio and television broadcast. (..) Recommendation (Principle 4) itself acknowledges that all expressions of hate speech is not offensive to the point of not receiving the protection of Article 10 of the Convention, only a hate speech aimed at the destruction other rights and freedoms protected by the Convention would be insulting to such a degree. (..) Discrimination, like violence, involves action. (..) But the mere intolerance, feeling without action, or at least no clear trend in the action, does not constitute a crime. The remarks of Mr. Feret on government policy do not invite acts of discrimination available to the general public and they do not call for a boycott, refusing to serve or prevent migrants. (..) only an unfettered exchange of ideas brings us closer to the truth or, for skeptics, we can make political decisions more informed personal and promoting consideration of the arguments of all participants in the political process. The protection of political opinions is because we believe human beings quite reasonable to make informed choices. It is not for those who control political power (that bring their own interests to keep) to establish a catalog of misconceptions or unacceptable. But the decision (thus diverging from his own designs on political speech) said human beings and a stratum of "idiots" unable to respond to the arguments and cons, arguments due to the irresistible urge their irrational emotions. (..) There may be times, even within the most stable democracies, which require the adoption of measures relating to the arsenal of democracy activist and involving discrimination organized and coordinated based on propaganda of 'intolerance. In this case, however, this is not the "speech act" of a political party that was considered beyond the realm of protected speech and we do not see the existence of any bullying. (..) The history of democracies in the aftermath of World War II shows that the participation of political movements dubious political discourse reduces the risk of extremism and does not undermine our democracies, which are based on openness and tolerance. Instead of focusing on conditions that limit the application of the concept of hate speech, the Court held that the hate does not necessarily require the call to a particular act of violence or a another felony. In other words, unpleasant feelings enough for there to be crime. (..) The fundamental principles underlying the protection of freedom of speech collide with the criminal conviction of Mr. Feret for his remarks. A concept of hate speech that does not refer directly to the act of provocation to incite acts of violence or intolerance is too broad to be compatible with protection of serious political discourse. (..)The potential impact of a series of individual policy about not bearing directly affect the rights of others or public order can not be a pressing social need. Moors, H. e.a., Polarisatie en radicalisering in Nederland. Een verkenning van de stand van zaken in 2009, IVA beleidsonderzoek 2009 Uit het onderzoeksrapport: Anders dan de ‘klassieke’ rechts radicale partijen of bewegingen komt de PVV niet voort uit een extreemrechtse traditie. Er is dus - net als bij de LPF / Leefbaarstroming - geen sprake van sociale genealogie. Ideologisch zijn er echter wel degelijk elementen van rechts radicaal (in casu ‘nationaaldemocratisch’) ideeëngoed aan te treffen bij de PVV, zoals een positieve oriëntatie op ‘het eigene’, een afkeer van ‘het vreemde’ en van politieke tegenstanders, en een hang naar het autoritaire. De afkeer van ‘het vreemde’ betreft vermeende ‘islamisering’, ‘nietwesterse allochtonen’, en komt tot uitdrukking in een reeks van krachtige aanduidingen dienaangaande in het publieke debat. Deze uitingen, waarbij respectievelijk het criminaliseren, het aanbrengen van een maatschappelijke tweedeling of het uitsluiten van rechten belangrijke thema’s zijn, lijken een in strafrechtelijk opzicht discriminatoir karakter te hebben. Dienaangaande dient de rechter zich echter nog uit te spreken. (..)Ten slotte is duidelijk dat de partijorganisatie van de PVV niet democratisch is en als ‘autoritair’ kan worden gekwalificeerd. De PVV kan bestempeld worden als nieuw rechts radicaal: een partij die in ideologisch opzicht ‘nationaaldemocratisch’ is, maar geen verbanden met oud rechts radicalisme heeft in de vorm van sociale genealogie of een ‘raciaal revolutionaire’ oriëntatie. (..) Polarisatie is enerzijds een fundamenteel onderdeel van de democratische praxis. Polarisatie draagt bij aan de open dialoog waaraan ten principale iedereen kan meedoen. Anderzijds kan polarisatie die participatie en een open debat ook bedreigen als ‘de sfeer’ zodanig slecht en beladen wordt dat mensen niet meer durven meedoen. Het onderhavige rapport biedt diverse voorbeelden van situaties waarin dat in 2009 aan de orde is. (49 Diverse media maakten er in november 2009 melding van dat critici van Wilders en de PVV zich wegens de heftigheid van reacties van hem en zijn vermeende aanhangers niet of nauwelijks meer durven te uiten met hun kritiek. Volgens de berichtgeving gold dit politici, ambtenaren, wetenschappers en kunstenaars. [ OBW merkwaardig genoeg hebben de onderzoekers niet de moeite genomen om in kaart te brengen in hoeverre mensen (bv columnisten) niet of nauwelijks kritiek durven te uiten op verschillende vormen van radikaal islamisme; ook ontbreekt documentatie dat moslims zich niet kritisch zouden durven te uiten.] ) Anderzijds meldt het rapport dat het in feite nog wel meevalt met de polarisatie: Onderzoek van de Universiteit Tilburg toont aan dat de publieke opinie in Nederland, anders dan men op grond van de media zou denken, eigenlijk al tien jaar lang stabiel is en tegelijk over het algemeen neutraal ten aanzien van de multiculturele samenleving: men is er niet enthousiast over, maar men wijst haar ook niet af. (..) Aanleiding tot een bescheiden optimisme lijkt er ook te zijn wanneer men kijkt naar de moslims onder de bevolking. Ruim driekwart, 76 procent, van de moslims voelt zich thuis in Nederland en 71 procent vindt dat moslims steeds meer een eigen plek verwerven in onze samenleving en tweederde, 66 procent, ziet een toekomst voor zichzelf in Nederland. Een gering percentage is zich meer moslim, Marokkaan of Turk gaan voelen in de afgelopen tien jaar. (..) Ook onderzoek van het CBS wijst uit dat geregeld moskeebezoek de afgelopen tien jaar is teruggelopen van bijna de helft naar een derde. Tegelijk constateren andere onderzoekers eveneens dat er door betrokkenen zelf meer nadruk wordt gelegd op zowel etnische als moslimidentiteit. Moslims blijken ook steeds beter in staat om binnen hun eigen geloofskring weerstand te bieden aan extremistische stromingen. De AIVD constateert dan ook een stagnatie van de groei van het radicaal salafisme, waar de dienst twee jaar geleden nog voor waarschuwde. (..) Het aantal klachten dat van maart tot september 2009 bij het Meldpunt Discriminatie Internet werd aangebracht bleef beperkt: 32 klachten over 54 uitingen, waarvan het Meldpunt er 23 als strafbaar beoordeelde. Twintig daarvan waren gericht tegen joden, twee tegen homo’s en één tegen moslims. (..) 64 Het islamitische radicalisme in Nederland zoekt geen binding met partijpolitiek. Wel is vooral binnen de salafi-beweging sprake van een bewuste ‘politics of life style’: het binden van personen aan een informele gemeenschap door middel van religieus geïnspireerde praxis. (..) In hun analyse op basis van gegevens die in een survey onder Amsterdamse moslims zijn verzameld, laten Slootman en Tillie zien dat het islamitische radicalisme en/of extremisme zowel een religieuze als een politieke dimensie heeft. (..) Het salafisme is niet de enige ‘radicale’, of liever: fundamentalistische beweging binnen de islam in Nederland. Ook de hoofdtendenzen van het salafi-ideeëngoed (Wahhabi’s, Sahwah, neosalafi’s en jihadi’s) vormen geen homogene groepen. (..) In Nederland manifesteren zich met name de gepolitiseerde salafi’s en de (apolitieke) Madkhali Selefies, in mindere mate de jihadi’s. (..) Over de omvang van het salafisme in Nederland doen zeer uiteenlopende ramingen de rondte. In september 2007 zouden, volgens minister Ter Horst (die zich baseerde op gegevens van de AIVD) tussen de 20.000 en 30.000 mensen zich aangetrokken voelen tot het salafisme. Er zouden ongeveer 2.500 ‘potentiële’ moslimactivisten rondlopen. (..) Takfiri’s dienen veeleer bezien te worden als een militante ‘zuiveringsbeweging’ (Takfir wa’l-Hidjra) binnen de fundamentalistische religieuze islam, potentieel geneigd tot geweld binnen én buiten de gemeenschap van moslims.294 In Nederland is het aantal takfiri’s - van een duidelijke groep is geen sprake - niet erg groot en lijken zij zich te concentreren in de grote steden. (..) Jihadi’s in Nederland zijn hierbij over ’t algemeen minder op de lokale gemeenschap gericht, maar achten geweld gelegitimeerd tegen vertegenwoordigers van geloofsgroepen en staten die de islam (de Oemma) in hun ogen bedreigen. (..) Hizb ut-Tahrir is een internationaal opererende radicale islamitische beweging die ook in Nederland actief is en streeft naar invoering van het islamitische recht en de vereniging van alle islamitische landen onder een kalifaat. (..) Qua omvang is de Nederlandse tak klein, maar met name onder hoger opgeleiden en in het hoger en wetenschappelijk onderwijs actief. Voor 2009 geldt, aldus het Sociaal Cultureel Planbureau, dat de ontwikkeling van integratie in Nederland een gemêleerd beeld oplevert. Segregatie tussen witte en zwarte wijken blijft toenemen. Allochtone leerlingen blijven op achterstand in het primair en voortgezet onderwijs. Het criminaliteitsniveau onder allochtonen blijft relatief hoog. Tevens wijst het Sociaal Cultureel Planbureau op een ‘religieuze heropleving’ onder tweede generatie Marokkanen. (..) De tweede generatie radicale predikers en dawa-activisten wees het gebruik van geweld (in het Westen) af en brak zodoende met de jihadisten. De afgelopen jaren is hierdoor een alternatief, niet-gewelddadig discours beschikbaar gekomen voor radicale jongeren, uitgedragen door vooraanstaande imams in de bekende salafistische centra in Nederland. Personen met extremistische opvatting of de geneigdheid daartoe zijn uit die moskeeën geweerd (NCTb 2009). Een merkwaardige passage uit het rapport: Internationaal onderzoek toont dat moslims die zichzelf als religieus bestempelen ‘geweld voor een nobel doel’ vaker volstrekt niet te rechtvaardigen noemen dan moslims die religie niet belangrijk vinden. Eerder onderzoek liet eveneens zien dat moslims die geweld rechtvaardigen niet worden gedreven door religieuze maar door politieke motieven. Ter onderbouwing wordt verwezen naar J. Esposito en D. Mogahed, Who speaks for islam? What a billion muslims really think, New York 2008. [ vergelijk ook het onderzoek Trendanalyse Polarisatie en Radicalisering 2008 ] Lawson, R., Wild, wilder, wildst. Over de ruimte die het EVRM laat voor de vervolging van kwetsende politici, NJCM-Bulletin 2008 Controversiële uitspraken van politici en artikel 10 EVRM: zes perspectieven 1 Primaat van de vrijheid van meningsuiting EHRM,23 april 1992, Castel/s - Spanje (11798/85) 'While freedom of expression is important for everybody, it is especlally so for an elected representative of the people. He represents his electorate, draws attention to their preoccupations and defends their interests. Accordingly, interferences with the freedom of expression of an opposition member of parliament, like the applicant, call for the closest scrutiny on the part of the Court. (..) Nevertheless it remains open to the competent State authorities to adept, in their capacity as guarantors of public order, measures, even of a criminallaw nature, intended to react appropriately and without excess to defamatory accusations devoid of foundation or formulated in bad faith.’ 2 'Plichten en verantwoordelijkheden' Dat wil intussen niet zeggen dat een deelnemer aan het publieke debat zich alles kan permitteren. EHRM, 12dec. 1976,Handyside - VK (5493/72) 'From another standpoint, whoever exercises his freedom of expression undertakes 'duties and responsibilities' the scope of which depends on his situation and the technical means he uses. The Court cannot overlook such a person's 'duties' and 'responsibilities' when it enquires, as in this case, whether 'restrictions' or 'penalties' were conducive to the 'protection of morals' which made them 'necessary' in a 'democratie society'. Met name als uitlatingen een toch al explosieve situatie kunnen doen escaleren, is het EHRM kritisch (vergelijk meerdere zaken in Turkije). 3 Vrijheid van meningsuiting versus vrijheid van godsdienst Het Sttaatsburgse Hof heeft bij herhaling aanvaard dat een staat maatregelen treft om een godsdienst, of een groep gelovigen, te beschermen tegen kwetsende uitingen. Die jurisprudentie is niet zonder kritiek gebleven en menige uitspraak is slechts bij een krappe meerderheid van stemmen gewezen, maar al met al is dit wél de lijn die het Hof tot nu toe heeft gevolgd. Het is hierbij van belang dat deze jurisprudentie niet alleen ziet op uitingen die zich rechtstreeks tot een bepaalde groep gelovigen richten, maar ook op uitingen die betrekking hebben op objecten van religieuze verering. (EHRM, 25 nov. 1996, Wingrove - VK (17419/90), r.o. 52. Het Hof spreekt hier van een 'duty to avoid as far as possible an expression that is, in regard to objects of veneration, gratuitously offensive to others and profanatory'). 4 Vergelijkingen met fascisme; artikel 17 EVRM Terzijde zij opgemerkt dat Wilders de Koran vergelijkt met Mein Kamp! en spreekt over 'de fascistische Islam'. Dat zijn beladen termen. Men hoeft geen radicale geestelijke in het buitenland met lange tenen te zijn, om daar aanstoot aan te nemen. In de Oostenrijkse zaak Wabl heeft het Hof gebillijkt dat een politicus was veroordeeld nadat hij een krant had beschuldigd van 'Nazi-journalisme'. Het Hof vond die uitdrukking niet alleen polemisch maar ook 'particularly offensive'. In dat verband bracht het Hof in herinnering dat er een speciaal stigma kleeft aan het nationaal-socialisme. (..) Het in de Wabl-zaak, aldus het Hof, om een term die werd gebruikt 'without any connection to the underlying debate' - en dat maakt ingrijpen door de rechter toelaatbaar. Een (al wat ouder) voorbeeld van eigen bodem is de zaak Glimmerveen en Hagenbeek. waarin de klagers tevergeefs opkwamen tegen hun strafrechtelijke veroordeling en de uitsluiting van de NVU van verkiezingen. De toenmalige Europese Commissie voor de Rechten van de Mens constateerde dat de gedragingen van Glimmerveen c.s. indruisten tegen letter en geest van het EVRM en wees de klachten onder verwijzing naar artikel 17EVRM af. (..) Het is kennelijk de inhoud van de uiting, tezamen met de kennelijke bedoeling van de auteur en de mogelijke maatschappelijke gevolgen, die bepaalt of artikel 17 EVRM van toepassing is of niet. Tegen deze achtergrond valt het op dat de Rechtbank Den Haag in de civiele procedure tegen Geert Wilders vrij laconiek spreekt over diens verwijzingen naar de Islam als 'fascistische' godsdienst. De voorzieningenrechter constateert: "dat eiseres evenmin de opvatting van gedaagde heeft betwist dat binnen de islam bepaalde denkbeelden gehuldigd worden die op gespannen voet staan met democratische beginselen. Anders dan eiseres, is de voorzieningenrechter met gedaagde van oordeel dat de door laatstgenoemde gebezigde term ‘fascisme' niet zo beperkt moet worden uitgelegd dat deze uitsluitend betrekking heeft op de Holocaust en andere kwaadaardigheden van nazi-Duitsland, maar veeleer moet worden gezien als een verzamelbegrip voor ideologieën met beginselen die een totalitair politiek systeem omarmen dat geen ruimte laat aan andersdenkenden. Gedaagde meent vergelijkbare beginselen te herkennen in de islam en de Koran en hij heeft deze analyse met de door hem getrokken parallel aan de orde willen stellen als politicus en deelnemer aan het publieke debat.:" Of men nu die analyse deelt of niet, duidelijk is dat de rechtbank hier een andere koers vaart dan het EHRMin Gündüz en Norwoord. Er is geen sprake van dat de uitkomst van de procedure tegen Wilders werd gedicteerd door de Straatsburgse jurisprudentie. 5 Bescherming religieuze gevoelens: bevoegdheid of verplichting? Het is duidelijk dat in de 'zaak Wilders' de vrijheid van meningsuiting tegenover de vrijheid van godsdienst staat. In het algemeen is het bij dergelijke botsingen zo dat het EHRM de nationale autoriteiten de nodige speelruimte laat. In een leading case op dit terrein, Chassagnou, bepleitte het Hof een voortdurend tasten naar het juiste evenwicht, dat toch het beste op nationaal niveau getroffen kan worden: "The balancing of individual interests that may well be contradictory is a difficult matter, and Contracting States must have a broad margin of appreciation in this respect, since the national authorities are in principle better placed than the European Court to assess whether or not there is a 'pressing social need' capable of justifying interference with one of the rights guaranteed by the Convention."" (EHRM,29 april 1999, Chassagnou - Frankrijk (25088/94)) 6 Nieuwe perspectieven op de grenzen van de vrijheid van meningsuiting: CERD Intussen ligt de zaak anders onder het VN-verdrag inzake de bestrijding van alle vormen van rassendiscriminatie (CERD),getuige een recente uitspraak van het CERD-comité: "Ms. Kjeersgaard's remarks can be understood to generalize negatively about an entire group of people based solely on their ethnic or national origin and without regard to their particular views, opinions or actions regarding the subject of female genital mutilation ." Naar het oordeel van het CERD-eomitékunnen leden van een bevolkingsgroep klagen over het uitblijven van een strafvorderlijk onderzoek naar grievende uitingen die niet op hun persoonlijk betrekking hadden, maar op de groep waartoe zij behoren; vormt het maatschappelijk debat geen vrijbrief voor het doen van uitingen die anders niet door de beugel zouden kunnen, en moeten juist politici zich onthouden van het stigmatiseren etc. van minderheden. Samenvattend Ook zonder een gedetailleerde analyse van Wilders' uitspraken, kan het volgende worden gezegd over het Straatsburgse kader waarbinnen een beslissing over de eventuele vervolging van hem moet worden genomen: 1. er bestaat in beginsel weinig ruimte om een politicus strafrechtelijk te vervolgen voor zijn uitspraken (Casiells); 2. daar staat tegenover dat juist ook politici kunnen worden aangesproken voor zover hun uitspraken maatschappelijke onrust teweeg brengen (Zana); 3. tevens hebben juist ook politici een verantwoordelijkheid om zich te onthouden van uitspraken die tot intolerantie kunnen aanzetten (Erbakan); 4. die verantwoordelijkheid geldt des te sterker als de betreffende uitingen niet zijn gedaan tijdens een live debat, maar in artikelen waarover de auteur, naar men mag veronderstellen, in alle rust heeft kunnen nadenken (Nilsen & Johnson, Bobo Fuenies, Wabl); 5. daarnaast dient hij zich, ook in het maatschappelijk debat, te onthouden van "onnodig grievende uitingen die betrekking hebben op godsdiensten en objecten van religieuze verering, zoals de Koran (Wingrove, I.A. en, a contrario. Tailao); 6. vergelijkingen met het fascisme en het Nazisme zijn uitzonderlijk kwetsend en kunnen, bij het ontbreken van een inhoudelijke rechtvaardiging voor het gebruik van die termen, ertoe bijdragen dat een veroordeling gerechtvaardigd is (Wabi); 7. voor zover kan worden aangetoond dat uitingen aanzetten tot haat en/of religieuze intolerantie (of 'disrespect' - Giniewski), kan een beroep op artikel 10EVRM afketsen op artikel 17 EVRM, dat misbruik van recht verbiedt (Gündüz, Nortoood); 8. voorts heeft het Hof aanvaard dat kritiek op een godsdienst ook kritiek op de aanhangers van die godsdienst impliceert (Otto Preminger, Giniewski); 9. bij de beoordeling van de gewraakte teksten laat het EHRM de nationale rechter een ruime margin of appreciaiion, nu een eventuele beperking van de vrijheid van meningsuiting ertoe zou strekken de vrijheid van godsdienst te beschermen (Murphy, I.A., Giniewski); 10. recente CERD-jurisprudentie wijst er op dat het OM zelfs verplicht is strafvervolging in te stellen als er op gerede gronden aangifte is gedaan (Geile). Ik teken hier wel bij aan dat deze samenvatting resoluter oogt dan de Straatsburgse praktijk is: in veel van de zaken was het Hof verdeeld. Menige beslissing werd met vier stemmen tegen drie genomen. Maar ook met in achtneming van de bestaande meningsverschillen binnen het Hof meen ik dat de bovenstaande lijn wel het Straatsburgse acquis op dit punt weergeeft. Achterliggende waarden en dilemma’s Het kan geen kwaad erop te wijzen dat artikel 10 EVRM als enige bepaling in het Verdrag spreekt over de 'plichten en verantwoordelijkheden' die met de uitoefening van het betreffende recht gepaard gaan. Meer in het algemeen geldt dat 'vrijheid' in de grote internationale mensenrechtenteksten hand in hand gaat met de notie van 'menselijke waardigheid'. Dient de rechter, onder verwijzing naar de uitspraak van het EHRM in de zaak van de Turkse Welvaartspartij, in te grijpen met de overweging dat de staat nu eenmaal niet lijdzaam hoeft toe te zien hoe de democratie wordt aangetast? Dat zou een krasse redenering zijn, kwetsbaar voor het verwijt dat de democratie de nek wordt omgedraaid in een poging haar te beschermen. Maar omgekeerd is ook niet helemaal duidelijk waarop commentatoren de zekerheid baseren dat het instellen van vervolging onnodig is omdat onze democratie wel een stootje kan hebben. Kan het soms zijn dat het publieke debat in ons land juist in de afgelopen jaren wel erg is verruwd? Het meest recente rapport van de Europese Commissie tegen Racisme en Intolerantie (ECRI) over Nederland stemt in elk geval tot nadenken: "... ECRI notes that freedom of expression has often been portrayed as an essentially unrestricted freedom and interpreted as automatically and inherently entailing a right to deliberately offend others. It notes that this has inevitably created antagonism and hostility among different parts of Dutch society ..." Laten we artikel 10 EVRM dan ook niet als gezagsargument gebruiken om vervolging bij voorbaat uit te sluiten: er zijn ruime marges waarbinnen we in dit land zelf een afweging moeten maken. Die afweging zal van geval tot geval anders uitpakken, afhankelijk van de gekozen woorden, context et cetera. Maar steeds zal daarbij, wat mij betreft, ook aandacht moeten zijn voor de gevolgen van een al maar heftiger polarisatie die voor nuancering en debat steeds minder ruimte laat. Stokkom, B. van, H. Sackers, J.P. Wils, Godslastering, discriminerende uitingen wegens godsdienst en haatuitingen: een inventariserende studie (WODC onderzoek 2006) http://www.justitie.nl/images/WODC%20onderzoek%20godslastering.doc_tcm34-30812.pdf Het bestaande instrumentarium zou effectiever kunnen worden benut. Niettemin is geconcludeerd dat artikel 147 Sr na het Ezel-arrest een dode letter is en de artikelen 137c-137e Sr door rechtspraak van de Hoge Raad restrictief worden toegepast. De rechtspraak is uitdrukkelijk gekoppeld aan de functionaliteit van uitlatingen in het publieke debat. Wanneer bepaalde uitingen geen andere functie kunnen hebben dan haat zaaien of het minderwaardig verklaren van personen wegens hun godsdienst, kan die functionaliteit worden betwijfeld. [ OBW Wie bepaalt dan deze 'functionaliteit' en op welke gronden? ] De affaire El Moumni van enkele jaren terug is in dit verband instructief. Deze Rotterdamse imam zei een televisie-uitzending van NOVA dat homoseksualiteit een ziekelijke afwijking is en schadelijk voor de Nederlandse samenleving. Zowel de Rotterdamse rechtbank (8 april 2002) als later het Haagse gerechtshof (18 november 2002) kwam tot vrijspraak voor El Moumni omdat ‘aan in beginsel beledigende uitlatingen het beledigende karakter komt te ontvallen wanneer die uitlatingen een godsdienstige overtuiging direct uitdrukken’, zodat bescherming tegen een strafrechtelijke procedure kan worden ontleend aan het eveneens in de Grondwet vastgelegde recht op vrijheid van godsdienst en godsdienstbeleving. Volgens Van Oenen zei de rechter hier eigenlijk: niet El Moumni sprak, maar zijn godsdienst. Niet alleen El Moumni maar ook ex-kamerlid Van Dijke werd op grond van zijn geloofsovertuiging door de rechter vrijgesproken. Opvallend is dat beledigende uitlatingen over godsdiensten of geloofsopvattingen zelden hebben geleid tot een vervolging en/of veroordeling. Indien wordt aangezet tot haat wordt volgens de nota echter een grens overschreden: een inperking van de meningsuiting ligt dan eerder in de rede. Europese Hof: In geval van een debat over de publieke zaak prevaleert de Europese norm, in geval van godsdienst en moraal de ‘community standards’. In principe accepteert het Hof alleen beperkingen wanneer het gaat om ‘hate speech’ en ‘incitement to violence’. Ook de Raad van Europa beklemtoont die laatste opvatting. Het eerste artikel van Recommendation 1543 over Racism and xenophobia in cyberspace (2001) luidt: The assembly considers racism not as an opinion but as a crime.’ De Raad benadrukt dat niet alleen racisme, maar ook de verspreiding van hate speech die is gericht tegen bepaalde nationaliteiten en godsdiensten moet worden bestreden. Anders dan bij godslastering het geval is, worden bij discriminatie op grond van religie / levensbeschouwing personen op grond van hun lidmaatschap van een bepaalde groep, vernederd of in hun waarde aangetast. Dat is strafbaar gesteld in artikel 137c Sr. Het aanzetten tot haat tegen personen wegens hun godsdienst of levensbeschouwing is strafbaar gesteld in artikel 137d Sr.8 Zoals gezegd, de discriminatiebepalingen zijn van relatief recente makelij, en zijn in Nederland pas in 1971 ingevoerd. In de Verenigde Staten - en recent ook in Engeland - is veel hate crime wetgeving ontwikkeld waarbij daders van delicten die zijn begaan vanuit een haatdragend of discriminatoir oogmerk, extra straf kan worden opgelegd. ‘Schade’ blijkt het doorslaggevende criterium geworden om een eventuele strafwaardigheid te beargumenteren, waarbij overigens sommige varianten van schade meer overtuigen dan andere. Godslastering is een ‘taalhandeling’ (speech act) met ‘polyvalente’ betekenis (Loetz 2002: 71). Haar verschijningsvorm verandert afhankelijk van de context en de tijd. Rome en Reformatie: Godslastering als synoniem voor ketterij wordt een wapen tegen andersdenkenden. Vanaf de zeventiende eeuw ontstaat er echter stapsgewijs een rechts- en moraalfilosofisch tegenwicht tegen de heresiegevoeligheid van de ‘godslastering’ met haar vervolgingspraktijken tegen andersdenkenden en andersgelovigen. Het vroegmoderne discours over godsdiensttolerantie kan als een poging tot pacificatie van de kwalijke politieke gevolgen van uiteindelijk niet op te lossen godsdiensttwisten worden gezien. Het beschermde object is vanaf de Verlichting steeds minder de bescherming van God, maar de bescherming van de maatschappelijke orde. In de plaats van de eer van God treden nu de religie en haar instituties die beschermd moeten worden omdat ze in niet geringe mate bijdragen tot het morele ordeningsprofiel van de samenleving. Het is dan nog maar een kleine stap om niet meer religie als beschermd object te noemen, maar ‘bescherming van de publieke vrede’. Tijdens de Franse Revolutie bleef godslastering in Nederland strafbaar, zij het dat God deïstisch werd opgevat. Maar toen de Franse code pénal in 1811 werd ingevoerd, kwam het delict te vervallen. Ook in het nieuwe wetboek dat in 1886 in werking trad, ontbreekt godslastering. Aan het eind van de eeuw werden echter vanuit gereformeerde hoek krachtige pleidooien gehouden tot herintroductie van godslastering in het strafrecht. Het is niet evident wat eigenlijk in het gedrang komt: de eer van God, de institutionele bestendigheid van religie, de gevoelens van haar gelovigen, hun vrije belijdenis. In de moderne tijd lijkt het krenken van godsdienstige gevoelens de belangrijkste argumentatie te vormen. Een tweede onduidelijkheid betreft het predikaat van de omschrijving van de daad: hebben we met laster, smaad, belediging, krenking, beschimping of discriminatie te maken? Terwijl de ‘belediging’ op een psychologische inbreuk wijst, is van discriminatie meestal dan sprake wanneer een onrechtmatige ongelijke behandeling plaatsvindt. De huidige terugkeer van de godslastering in het publieke discours van de westerse samenlevingen hangt nauw samen met een confrontatie tussen twee verschillende culturen. In het geval van de islam hebben we in hoge mate met een cultuur van de eer te maken die op een cultuur stoot die juist afscheid heeft genomen van het eerbegrip en op de waardigheid van het individu georiënteerd is. Moralisme, het aanstootbeginsel en enkele varianten van het schadebeginsel vormen samen een evaluatief frame waarin de eventuele strafwaardigheid van uitingen kan worden beoordeeld. Door het confronteren van elkanders meningen wordt het proces van waarheidsvinding versterkt. Veel liberale filosofen benadrukken dat vrijheid van meningsuiting van wezenlijk belang is voor de individuele autonomie en bij uitstek verbonden is met de innerlijke overtuiging. De vraag is of er vanuit die positie wel altijd voldoende oog is voor schadelijke gevolgen van uitlatingen. Andere filosofen benadrukken dat vrijheid van meningsuiting een middel is om op collectieve wijze de waarheid op het spoor te komen. Waardeloos of immoreel geachte uitingen krijgen in dat geval minder gewicht. Wordt vrije meningsuiting in de Verenigde Staten gekenmerkt door een libertijnse inslag, in Europa (maar bijvoorbeeld ook in Canada) staat het concept van menselijke waardigheid in het middelpunt van verdragen en grondwettelijke jurisprudentie. Wordt in de Verenigde Staten de schadelijkheid van strafbaarstelling van haatuitingen benadrukt, in Europa wordt haatpropaganda als een groter gevaar gezien dan de onderdrukking ervan. Met name in Duitsland wordt vrije meningsuiting gezien als een van de vele grondwettelijke rechten, in plaats van de voornaamste. Extreem antidemocratische uitingen, inclusief ontkenning van grondrechten, zijn er niet toegestaan. Wanneer men meent dat het recht op legitieme wijze gedrag mag verbieden dat op gespannen voet staat met de heersende morele oordelen in de samenleving, spreken filosofen over ‘legal moralism’ (Feinberg 1985). Veronderstelling daarbij is dat kwetsende uitingen de publieke moraal verzieken en verzwakken. Het is echter moeilijk precies aan te geven dat er daadwerkelijk sprake is van maatschappelijke desintegratie zodat ingrijpen geoorloofd is. In het geval van aanstoot is er sprake van een ongewenste en onverhoedse confrontatie. Emotionele problemen bij ontvangers (frustratie; irritatie; woede) vormen echter op zichzelf geen argument voor beperking. Schade impliceert dat belangen worden aangetast. Het schadebeginsel kent weer vier varianten: directe (psycho-sociale) schade aan slachtoffers, indirecte schade door stemmingmakerij, speciale schade door als ‘minder mens’ te worden gekwalificeerd, en (potentiële) schade aan de samenleving (openbare orde). Uitdrukkingen als ‘christenen zijn ondermensen’ en ‘islamieten moeten ze de zee in sturen’ zijn onaanvaardbaar omdat ze de gelijke menselijke waardigheid ondermijnen. Verwerpelijke ideeën brengen de openbare orde niet in gevaar. Maar wanneer de fysieke integriteit van derden manifest wordt bedreigd, kan overheidsingrijpen worden verantwoord. Het moet dan gaan om reële, aanwijsbare en directe vormen van bedreiging (in Amerikaanse termen moet er sprake zijn van een clear and present danger). Heden ten dage lijken schade-argumentaties het meest overtuigend, met name de speciale schade van ‘minderwaardigheid’ waardoor fundamentele rechten worden ontzegd, en bedreiging van de openbare orde. Sommigen betwijfelen of een belediging die gericht is op een God of op een profeet, zoals het geval was met de Deense spotprenten, vervolgd kan worden omdat de belediging zich niet richt tegen gelovigen als bevolkingsgroep. Volgens Hirsch Ballin is dat echter wel degelijk het geval (NJCM-bulletin 1998: nr. 1, 49-54): mensen worden niet alleen beledigd door iets over henzelf te zeggen, ‘maar ook over wat hun heilig is’. Voor mensen die hun identiteit, hun ‘hele zijn’, ontlenen aan religie, is het beledigen van hun god of godsdienst onvermijdelijk een belediging van henzelf. [ << ernstige denkfout OBW ] Volgens Van Oenen wijst het oorsprongstrauma op de littekens die zijn achtergelaten door een ‘funderend geweld’: de mensenrechtenverklaringen gaan terug op het indringende verlangen van ‘nooit meer Auschwitz’. Op soortgelijke wijze fungeren de teksten van de Koran als littekens, als stille getuigen van het oorsprongsgeweld. [ ? OBW ] Het verlangen dat anderen zich gedragen conform jouw opvattingen over de juiste religie doet een beroep op ‘legal moralism’, en is niet relevant voor het schadebeginsel. Uitingen die het eigen ‘oorsprongstrauma’ raken en heftige emoties losmaken – vaak afbeeldingen en films waarin het heilige wordt vereenzelvigd met het obscene – zijn moeilijk binnen een juridisch kader te beoordelen. Maar als de seculiere gemeenschap bescherming tegen ridiculisering van collectieve trauma’s claimt, kan dat gelovige gemeenschappen niet worden onthouden. [ vreemde redenering, verwijzend naar het onder seculieren vermeende 'taboe' zijn van holocaustontkenning ] Het probleem van het verbod van godslastering is dat het rechtsongelijkheid bewerkstelligt. Niet-christenen kunnen zich er immers niet (of nauwelijks) op beroepen. Om met Nieuwenhuis (2004) te spreken: het kan niet zo zijn dat gelovigen kunnen aanvallen met het zwaard van de meningsuiting, en vervolgens de tegenstander kan ontwapenen met het zwaard van de vrijheid van godsdienst. De slachtofferrol die bepaalde groepen orthodoxe gelovigen vaak vertolken wanneer hun god is bezoedeld, lijkt ongerijmd in die zin dat zij niet schromen om groepen zondaars te verketteren en haat te zaaien jegens andersgelovigen en niet-gelovigen. Dat maakt hun positie er niet consistenter op. Nieuwenhuis (2006) en vele anderen suggereren de antidiscriminatie-artikelen voor de categorie ‘ras’ te reserveren, en ‘godsdienst’ er buiten te laten. Religieuze gemeenschappen kunnen dus object zijn van discriminatie of racisme. Maar omgekeerd, religies kunnen zelf ook een latent racisme activeren, met name wanneer zij aanspraak maken op een exclusief en derhalve superieur inzicht in de openbaring der goden of van de ene God. De aanmoediging van de vroegere christelijke kerk om godslastering en obsceniteit als wapens tegen rivaliserende godsdiensten in te zetten, kan zelfs als openlijk racistisch worden geduid. Tegen godslasterlijke en beledigende uitingen jegens gelovigen kunnen theoretisch bezien uiteenlopende beperkingsgronden in stelling worden gebracht. Bedreiging van de openbare orde en verklaringen van ‘minder mens’ of ‘onmens’ lijken daarbij het zwaarst te wegen. Geestelijk leed lijkt heden ten dage echter niet snel toereikend voor strafbaarstelling. Religie gerelateerde uitingsdelicten in het Nederlands strafrecht Vanaf 1811 tot de invoering van artikel 147 Sr in 1932, ontbrak een verbod op godslastering in het Nederlandse strafrecht. Het verbod op smalende godslastering (zoals het delict in het strafrecht wordt aangeduid) is opgenomen in het Wetboek van Strafrecht in het hoofdstuk (de ‘titel’) over de misdrijven tegen de openbare orde. Deorum iniuriae, diis curae, aldus keizer Tiberius. Wanneer de goden onrecht wordt aangedaan, is dat hun zorg. Dat de Romeinen toch tot strafbepalingen kwamen, lag (zoals gezegd) in de wens de openbare orde te beschermen. Gedurende de gehele Middeleeuwen wordt godslastering streng gestraft. De periode van de Hervorming laat een koerswijziging zien, in die zin dat de reformatoren vonden dat de lastering van Maria en van de (andere) heiligen niet langer onder het begrip godslastering thuis hoorden. Het duurt tot de periode van de Verlichting voordat een radicale verandering in het denken over de religiedelicten en in bijzonder over godslastering ontstaat. 19e eeuw - meeste landen wel strafbaar, maar milde straffen. En Oostenrijk, waar men de lasteraar uit de aard van het begaan van het delict geestesgestoord verklaarde. [ ha! ]. Met de invoering van de Code Pénal in 1811 kwam godslastering als delict in Nederland te vervallen. De toenmalig heersende opvatting was dat het recht op de intermenselijke relatie behoorde te zien. De invoering in 1932 van wat wel de Lex-Donner wordt genoemd, wordt doorgaans toegeschreven aan de politieke behoefte om via het strafrecht te kunnen reageren op begin jaren dertig vooral vanuit communistische hoek oprukkende uitingen, die onmiskenbaar waren gericht tegen het christelijke geloof. Dit geloof werd (in communistische ogen) gebruikt als het middel tot instandhouding van de kapitalistische maatschappij. De hiervoor weergegeven geschiedenis van het delict godslastering laat, als het gaat om de ratio legis, in grote lijnen zijn twee belangrijke ankers zien. Vanuit de Mozaïsche wetgeving komt vooral de angst voor de wraak van God als belangrijkste reden voor de strafbaarstelling. Uit de Romeinsrechtelijke wetgeving komt een geheel ander motief, namelijk de bescherming van de openbare orde als ratio. Door de eeuwen heen lijkt dan weer de Mozaïsche, dan weer de Romeinsrechtelijke ratio het belangrijkste motief voor de strafbaarstelling op de voorgrond. Het Nederlandse delict uit 1932 draagt sporen van beide klassieke ratio’s: openbare orde en de godsdienstige gevoelens als te beschermen rechtsgoederen. delictsomschrijving: Het moet in de eerste plaats gaan om een uitlating. Die uitlating moet in de tweede plaats in het openbaar zijn gedaan. In de derde plaats moet de uitlating op voor godsdienstige gevoelens krenkende wijze zijn gedaan. In de vierde plaats ten slotte, is het noodzakelijk dat degene die de uitlating deed de bedoeling heeft gehad om te smalen. De wetgever heeft dit zo gewild om te voorkomen dat serieuze discussies over God eronder zouden vallen. De sterk subjectieve bedoeling van de lasteraar [ in het 'smalen' ] zal moeten worden bewezen. Uit de rechtspraak blijkt dat dit bewijs voor het openbaar ministerie het karakter van een probatio diabolica heeft gekregen. De conclusie kan even kort als duidelijk zijn. Tot op heden heeft de wetgever religiebescherming niet als te beschermen rechtsgoed aan artikel 147 Sr ten grondslag gelegd. [ art 137 ... zie lager + info over ratio legis en jurisprudentie ] Duitsland Die gedachte kwam erop neer dat niet God zelf, noch het religieuze gevoel van individuele mensen het te beschermen rechtsgoed is, maar het vreedzaam samenleven van mensen van verschillende geloofsovertuigingen. De Zwitserse wetgever heeft uiteindelijk voor een delict gekozen dat de religievrede beschermt. Het gaat de Zwitserse strafwetgever om de bescherming van de openbare vrede, waarvan de ‘religiöse Friede’ nadrukkelijk deel uitmaakt. Het huidige strafrecht van het Verenigd Koninkrijk kent een viertal delicten onder de noemer van de strafbare smaad, te weten godslastering, lastering, onzedelijk en opruiend gedrag. Vervolgingen wegens godslastering zijn (ook) in het Verenigd Koninkrijk zeldzaam. In 1985 heeft een gezaghebbende ‘Law Commission’ bij meerderheid geadviseerd het delict godslastering te schrappen. De Verenigde Staten en Engeland vormen in veel opzichten elkanders tegendeel als het gaat om de aanpak van uitingsdelicten. Het First Amendment van de Amerikaanse grondwet beschermt de vrijheid van meningsuiting op een wijze die elders in de wereld niet voorkomt: de vrijheid van meningsuiting mag geen beperkingen worden opgelegd. Ook het propageren van discriminatie en het verspreiden van racistische theorieën wordt beschermd. In de Verenigde Staten is niet hate speech maar hate crime wetgeving een van de meest levendige en dominante trends binnen het strafrechtelijke systeem. alles mag ter discussie gesteld worden. Niettemin, sommige uitingen worden niet beschermd. Het gaat om de volgende categorieën: bedreigingen, intimidatie, ‘fighting words’, laster, obsceniteit, kinderporno, en uitingen die oproepen tot ‘imminent lawless actions’. Maar al deze uitingen moeten wel op een specifieke persoon zijn gericht. Engeland De huidige bepalingen gericht tegen racistische uitlatingen hebben vorm gekregen in de Public Order Act (A-17 t/m A-29) van 1986. De wet richt zich tegen het gebruik van woorden, geschriften of beelden die ‘threatening, abusive or insulting’ zijn. Dat taalgebruik is evenmin toegestaan indien het leidt tot ‘harassment, alarm or distress’. In Engeland is het voorkomen van verstoring van de openbare orde de primaire reden voor ingrijpen geweest, om wat voor uitlatingen het ook gaat. Laakbare en beledigende woorden komen dus niet in aanmerking voor vervolging. Ook de ‘recklessness’ van een verdachte is niet toereikend; alleen ‘aanzetten tot haat’ volstaat. De al eerder genoemde Select Commission van het House of Lords die zich heeft gebogen over religious offences heeft forse kritiek geuit op de criminalisering van haat en de strafverzwaringen. Volgens de commissie is haat in zichzelf geen misdaad en hoort dat ook niet te zijn. Verenigde Staten Het idee om iemand voor godslastering te bestraffen zou voor Amerikanen heden ten dage moeilijk te begrijpen zijn. Dat is geheel strijdig met de godsdienstvrijheid en de meningsvrijheid, die in het First Amendment worden gewaarborgd. Wetgeving die racistische boodschappen in de ban wil doen, wordt ongeldig beschouwd. Racisten kunnen wel gestraft worden voor hun handelingen, bijvoorbeeld vandalisme of brandstichting, maar niet voor de racistische inhoud van hun uitlatingen. Kortom: haatwetgeving mag geen ‘opvattingen’ straffen. ‘Hate crime’ refereert niet aan uitingen maar aan gedragingen, hoewel dergelijke misdrijven wel een verbale of expressieve component hebben. Het gaat om geweld, bedreiging, intimidatie, vandalisme en vernieling van eigendom. Tegenstanders van haatwetgeving wijzen erop dat de strijd tegen haat Don Quichotachtige trekken heeft. Hoe meer we zoeken naar haatmotivaties in crimineel gedrag, des te meer we die zullen vinden. Er is dus veel voor te zeggen haatuitingen als normale en spontane verschijnselen op te vatten die bij het menselijk bestaan horen. Het is in ieder geval irreëel haat in al zijn variëteit uit te bannen. Sullivan pleit ervoor het concept haat helemaal los te laten. Haat is een sociaal fenomeen, zonder enige rechtsgrond of wettelijke basis. Pleitbezorgers van grotere inperking van de vrijheid van meningsuiting menen dat haatuitingen actieve bestrijding behoeven; deelname van racisten aan het debat zou bestaande dominante stereotypen versterken en leden van minderheden er juist van af houden hun mening te uiten. Bovendien wordt de veronderstelling dat hate speech niet tot geweld zou leiden bekritiseerd. Haat en geweld zijn onafscheidelijk met elkaar verbonden. Men kan de uiteenlopende posities in Amerika ook langs politieke lijnen verwoorden. Voorstanders van absolute vrijheid omarmen de waarde van het First Amendment. Zij stellen vrijheid boven gelijkheid. De traditionele remedie – more speech – zou te prefereren zijn. Het volk moet zelf afrekenen met bedreigende tendensen in het maatschappelijke debat. De voorstanders van hate crime wetten daarentegen leggen de prioriteit niet bij vrije meningsuiting maar bij gelijkheid (het Fourteenth Amendment) en redeneren precies andersom: pas wanneer aan de voorwaarden van gelijke bescherming is voldaan kan er sprake zijn van een waarachtig vrij en democratisch debat. Nederland Haatuitingen en -incidenten in Nederland De bedreiging van georganiseerde haatgroepen komt momenteel van twee kanten: de geradicaliseerde moslims (jihadisten) en rechts-extremisten. De radicale islam is een pluriform en dynamisch fenomeen. De nota onderscheidt drie typen: de radicaal-politieke islam wordt gekenmerkt door verzet tegen de westerse politieke en economische overheersing en richt zich op vestiging van een islamitische wereldheerschappij; het radicaal-islamitisch puritanisme verzet zich tegen de ‘verderfelijke’ westerse culturele overheersing, verkettert andersgelovigen en tracht de islam zuiver te houden; het radicale moslimnationalisme tenslotte beklemtoont de politieke lotsverbondenheid van moslims en richt zich op een ‘etnisering’ van de moslimidentiteit in het westen (waarvan de Arabisch-Europese Liga een voorbeeld is). Onder ‘islamofobie’ begrijpen we een houding van afweer tegenover de islam, die berust op stereotypen en ongedifferentieerde waarderingen. Die afweer gaat gepaard met haatuitingen jegens de hele moslimwereld, ongeacht de standpunten of handelingen van specifieke moslims. Lang niet iedere islamofobe uiting hoeft religieuze of morele opvattingen en praktijken van de islam in het vizier te hebben. Vaak is islamofobie politiek en/of cultureel gemotiveerd. Daar staat tegenover dat vanuit de perceptie van de islam zelf vaak nauwelijks onderscheidingen tussen politieke, religieuze, morele en culturele aspecten van de islam worden gemaakt. Politieke of culturele kritiek op islamitische attitudes of praktijken worden uit islamitisch perspectief al gauw als beledigend opgevat. Wat kan nu over de aantallen haatdragende en discriminerende incidenten worden gezegd? In september, oktober en november 2001 vonden in Nederland 190 gewelddadige voorvallen plaats (Van Donselaar en Rodrigues 2003). In 2002 en 2003 nam het aantal anti-islamitische geweldsincidenten af. Na de aanslagen in Madrid (11 maart 2004) bleef een golf van islamofobe reacties uit. Na de moord op Van Gogh nam dat aantal weer scherp toe (174 voorvallen alleen al in november 2004, waarvan 106 anti-moslim en 34 tegen autochtonen of autochtone objecten; moskeeën waren 47 keer doelwit; kerken 13 keer). De EUMC (2004) signaleert na 2000 een aanzienlijke toename van verbale en fysieke aanvallen op joden of joodse instellingen. De bestrijding van haatincidenten en haatuitingen is niet voorbehouden aan het strafrecht. In principe bestrijkt de bestrijding ervan het hele scala lopend van strafrecht, over burgerlijk recht en zelfregulering, tot versterking van maatschappelijke verantwoordelijkheid en weerbaarheid. Went, F.H., Toevoegen of schrappen van discriminatiegronden in artikel 137c Sr? 2007 Reeds bij de Romeinen waren beschimpingen onder burgers vatbaar voor juridische aansprakelijkheid. Vanwege de in de vroege Middeleeuwen wijd verspreide vete en de eer als onontbeerlijke maatschappelijke status, gold belediging ook destijds als een misdrijf. Ook in de laat Middeleeuwse stadstaten bleef belediging tussen burgers een misdrijf - ratio was echter eerder bescherming tegen vreemdelingen, "onnutte lieden" en interne wanordelijkheden, dan bescherming van minderheden. Het gelijkheidsbeginsel kwam pas in en door de verlichting tot ontwikkeling. In de Franse Déclaration van 1789 werd het beginsel van gelijkheid (broederschap en vrijheid), eerstmaals gecodificeerd. De bescherming van kwetsbare minderheden heeft haar theoretische grondslag enerzijds in dit beginsel en anderzijds in de uit het sociaal contract voortvloeiende overheid als monopolistische handhaver van de openbare orde. Het verbod op belediging van groepen kent het Nederlandse strafrecht desalniettemin pas betrekkelijk kort: sinds 1934. In de Memorie van Toelichting (MvT) werd uiteengezet dat de bepaling in artikel 137c Sr het doel heeft, de joodse bevolking te beschermen tegen steeds vaker optredende beledigingen, oog heeft op handhaving van de openbare orde en verwezenlijking van het vereiste van christelijke naastenliefde, de traditie van tolerantie en bescherming van de individuele persoon en zijn goederen. Het verbod op belediging op grond van ‘ras’ of ‘religie’ stond blijkens de MvT voorop, blijkens de Memorie van Antwoord en jurisprudentie richtte zich het verbod echter ook op belediging van andere groepen. In 1965 kwam het VN-Rassendiscriminatieverdrag (IVUR) tot stand en werd 1967 door Nederland geratificeerd. Het ligt in praktische zin aan de basis van het huidige art. 137c Sr dat 1971 werd gewijzigd omdat het verdrag eist dat aangesloten staten – kort gezegd - het verspreiden van racistische denkbeelden strafrechtelijk verbieden. Het geïmplementeerde begrip ‘ras’ doelt mede op huidskleur, nationale of etnische en an sich afstamming. De nakoming van de verdragsrechtelijke verplichting leidde door de opsomming van specifieke discriminatiegronden tot een geringer bereik van art. 137c Sr, maar ging verder in dit opzicht dat (a) belediging en (b) verspreiding van beledigende denkbeelden betreffende godsdienst of levensovertuiging strafbaar werden gesteld. Ook de omstandigheid dat in het gewijzigde artikel het oude criterium dat de vorm beledigend moest zijn, niet werd overgenomen, betreft een verruiming. Bij wet van 14 november 1991 volgde hetero- of homoseksuele gerichtheid. Twaalf jaar later volgde invoering van een tweede lid met verhoging van de strafmaat bij structurele vormen van discriminatie en bij wet van 10 maart 2005 ook belediging wegens een lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap. Conform IVUR is beschermd belang de ‘menselijke waardigheid’; NOYON, LANGEMEIJER & REMMELINK en CLEIREN & NIJBOER noemen de ‘eer’. (..) Onjuist in de context van art. 137c Sr lijkt niet zozeer de wet maar een facet van de jurisprudentie. In de Nederlandse jurisprudentie geldt de opvatting dat het beledigende karakter aan een uitlating kan komen te ontvallen indien met de uitlating direct een godsdienstige overtuiging wordt uitgedrukt. Een uitlating die op zich beledigend zou zijn in de zin van art. 137c Sr omdat zij het beginsel van menselijke waardigheid op genoemde gronden ontkent, wordt kennelijk onder omstandigheden beschermd door vrijheid van godsdienst. (..) Vrijheid van godsdienst kan naar mijn idee, net als vrijheid van meningsuiting of andere grondrechten, enkel bestaan, omdat en zolang zij het beginsel van gelijkheid en menselijke waardigheid respecteert. Het aanvaarden van juridische rechtvaardiging van strafrechtelijk bedreigde handelingen door een beroep op godsdienstige opvattingen, welke het fundamentele rechtsbeginsel van gelijkheid en menselijke waardigheid miskennen, is niet alleen een onjuist signaal in tijden waarin ook ernstigere misdrijven dan belediging worden gerechtvaardigd met een beroep op religie. Het is daarenboven ook principieel onjuist omdat de seculiere staat gehouden is de vrijheid van godsdienst imperatief te erkennen – zolang deze godsdienst de fundamentele rechtsbeginselen integraal erkent. de zaak Wilders 2008 - 2010 Naar aanleiding van klachten over publieke uitlatingen van Geert Wilders in kranten en naar aanleiding van zijn korte film Fitna worden meerdere klachten ingediend, die door het Openbaar Ministerie Amsterdam uitgebreid worden bestudeerd, waarna het OM besluit om niet tot vervolging over te gaan. Openbaar Ministerie Amsterdam http://www.om.nl/onderwerpen/discriminatie/@148328/wilders_niet/ 30 juni 2008 Wilders niet vervolgd voor ‘Fitna’ en uitlatingen in krant, mee gebaseerd op het advies van het LECD, op grond van onder meer de volgende overwegingen: Uitlatingen zijn gedaan binnen de context van het maatschappelijk debat. Een uitlating is alleen strafbaar als deze objectief gezien discriminerend is en gedaan wordt buiten de context van het maatschappelijk debat. Ook waren [volgens het OM] de uitlatingen niet meer grievend dan door de inhoud van het debat gerechtvaardigd is. Wilders' kritiek betreft de islam, en kritiek op een godsdienst valt niet onder het discriminatieverbod, tenzij hierbij tevens beledigende conclusies worden getrokken over de aanhangers van die godsdienst. Wilders schetst een tweedeling tussen de godsdienst islam en de Nederlandse samenleving, maar niet zonder meer tussen moslims en de Nederlandse samenleving. Er is dus geen sprake van opruiïng of aanzetten tot haat tegen moslims. Het Gerechtshof van Amsterdam neemt de bezwaarschriften (volgens art 12 Sv) tegen deze beslissing van het OM in behandeling en besluit het OM de opdracht te geven alsnog tot vervolging over te gaan (de overwegingen en dagvaarding volgen lager - eerst maar even een paar recente visies op deze beslissing van het Hof): Fokko Oldenhuis (bijzonder hoogleraar recht, religie en samenleving RUG) vindt vervolging van Geert Wilder terecht (15.12.2009): http://www.rug.nl/Corporate/nieuws/opinie/2009/opinie09_51 Prof.mr.dr. Fokko Oldenhuis: 'PVV-politicus Wilders toonbeeld van verwerpelijke intolerantie' PVV-politicus Geert Wilders moet 20 januari 2010 voor de rechtbank in Amsterdam verschijnen omdat hij opzettelijk moslims heeft beledigd en een haatprediker is, zo staat in de aanklacht. 'Een mokerslag voor vrijheid van meningsuiting', vindt Wilders zelf. Onjuist, zegt RUG-hoogleraar Religie en Recht Fokko Oldenhuis. "Wilders overschrijdt onmiskenbaar de grenzen van de wet." Wilders doet niet alleen aan haatzaaien en beledigen van moslims wegens hun godsdienst, hij discrimineert bovendien. Tevens discrimineert hij niet-westerse allochtonen of Marokkanen vanwege hun ras en zet hij aan tot haat jegens hen. Dit staat allemaal in de 21-pagina's tellende dagvaarding. Daarin wordt een reeks voorbeelden genoemd van uitlatingen van Wilders in de media, op de site van zijn partij en in Wilders' film Fitna. "Die dagvaarding is volkomen terecht", stelt Oldenhuis. "De samenleving is zelfs verplicht op te treden, want in zijn teksten brengt Wilders fundamentele rechten, zoals de vrijheid van meningsuiting in het geding. Want die rechten, ook als het grondrechten zijn, moeten paradoxaal genoeg wel worden begrensd. Gebeurt dat niet, dan kan het ertoe leiden dat anderen in hun bestaan worden bedreigd. Dat is precies wat hier aan de hand is. De eigen vrijheid die Wilders wenst te hebben gunt hij niet aan een ander." Dat Wilders zich voor zijn uitlatingen voor de rechter dient te verantwoorden is juridisch gezien volledig juist, aldus hoogleraar Oldenhuis. "Wilders' optreden is fundamenteel strijdig met de joods-christelijke traditie", legt Oldenhuis uit. "Ons land is van oudsher een gastvrije schuilplaats geweest voor andersdenkenden. Denk maar aan de Spaans-Portugese joden, eind zestiende eeuw in Amsterdam." Oldenhuis wijst erop dat deze traditie terug gaat tot de beginselen van de stichting van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Toen is vastgelegd dat niemand in Nederland om zijn religie zal worden vervolgd (art. XIII Unie van Utrecht). "Het vormt een van de pijlers onder de Nederlandse samenleving", onderstreept Oldenhuis. Optreden De hoogleraar wijst erop dat Wilders met zijn uitspraken juist uit is op strafvervolging van andersdenkenden. Oldenhuis verwijst naar uitspraken van de politicus die ook in de dagvaarding aan de kaak worden gesteld. Zo zei Wilders in de Volkskrant (8 augustus 2007) onder meer: 'Als moslims hier willen blijven wonen, dan moeten ze de helft uit de Koran scheuren en weggooien', in hetzelfde stuk stond: ‘De Koran is het Mein Kampf van een religie die beoogt anderen te elimineren’, en: ‘Een verbod is een verbod. Dus moet niet alleen de verkoop [van de Koran], maar ook gebruik in moskeeën en bezit in de huiselijke kring worden bestraft. Als dat in de huidige wetgeving niet kan, moet er een nieuwe verbodsbepaling komen’. "Vooral die laatste uitspraak heeft mij ontzet", aldus Oldenhuis. "Maar alle drie citaten zijn onmiskenbaar toonbeelden van verwerpelijk intolerantie. Dat wil zeggen dat Wilders zijn medemens niet de vrijheid van een ander geloofsstandpunt gunt. Daar moet tegen worden opgetreden, want een burger is hiermee zelfs in zijn eigen huis niet meer veilig." Wilders' roep om nieuwe strafwetten ter bestrijding van het bezit van de Koran, wordt door Oldenhuis weggehoond: "Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens zal dat soort wetgeving meteen terugfluiten. Wilders wordt op dit punt niet gehinderd door enige kennis van zaken". Onterecht bezwaar De advocaat mr. Bram Moszkowicz van de controversiële politicus heeft beroep aangetekend tegen een deel van de dagvaarding. Wilders zou geen 'groep' beledigd hebben. Moszkowicz verwijst daarbij naar een recente uitspraak van de Hoge Raad waarin het rechtsorgaan onderscheid maakt tussen het beledigen van een godsdienst en het beledigen van de aanhangers van een godsdienst. Dat laatste mag niet. Dat arrest ging over een spandoek waarop onder meer stond: 'Stop het gezwel dat islam heet, Theo is voor ons gestorven...'. De spandoekmaker werd door de Hoge Raad vrijgesproken. Oldenhuis: "De Wilders-procedure draait deels om de vraag of alleen de islam of ook de islamieten worden beledigd. Uiteraard is kritiek op een godsdienst geoorloofd en die kritiek mag ook hard zijn. Maar iedere anti-judaïst bijvoorbeeld is daarom nog geen antisemiet. Die kwestie vormt ook in deze zaak een lastige afweging. Maar ik stel dat Wilders hier bewust en structureel een grens over gaat en dat daarom het bezwaar van de raadsman geen stand houdt." De hoogleraar verwijst naar onder meer het eerder genoemde 'Mein Kampf'-citaat: "Dat roept zo zeer associaties op met het ausradieren van een bevolkingsgroep, dat de lijn tussen godsdienst en de mensen als aanhangers van die godsdienst zodanig vervaagt, dat een grens wordt overschreden." Oldenhuis roept in herinnering dat de strafbepalingen over haatzaaien, in 1934 in de wet werden opgenomen om met name joden te beschermen, als reactie op gebeurtenissen in Duitsland. "Dat is veelzeggend", betoogt Oldenhuis. "Ik ben voorzichtig met het trekken van parallellen, maar het ontstaan van die wetten had een duidelijke politieke achtergrond." Frank Ankersmit (hoogleraar intellectual history and historical theory RUG) heeft een andere mening (Trouw 2.1.2010) http://www.trouw.nl/opinie/letter-en-geest/article2950872.ece Op 20 januari begint de strafzaak tegen Geert Wilders wegens het aanzetten tot haat en discriminatie en groepsbelediging van moslims. Frank Ankersmit boog zich over de motivatie van het Amsterdamse hof om tot vervolging over te gaan. Waarom bemoeit de rechtspraak zich met de politiek? De Katholieken! Dat is het meest schunnige, belazerde, onderkruiperige, besodemieterde deel van ons volk! Maar díe naaien er op los! Die planten zich voort! Als konijnen, ratten, vlooien, luizen. Die emigreren niet! Die blijven wel zitten in Brabant en Limburg met puisten op hun wangen en rotte kiezen van het ouwels vreten!" Aldus W.F. Hermans in een beruchte passage uit zijn ’Ik heb altijd gelijk’ van 1951. Werd ooit een bevolkingsdeel dieper, grover en schandaliger beledigd? Hermans’ eloquentie maakte de belediging nog zoveel pijnlijker. Kan het krasser dan die vergelijking van katholieken met ratten, vlooien en luizen? En dat amper zes jaar nadat Hitlers nazi’s de Joden met ongedierte gelijkstelden voordat ze werden vergast. Je moet de katholieken erom bewonderen dat ze niet massaal naar Voorburg afreisden om Hermans publiekelijk te lynchen. Uiteraard kwam er een rechtszaak van. Maar tot verbazing, zoniet verbijstering van velen werd Hermans vrijgesproken met het door de neerlandicus Garmt Stuiveling aangereikte argument dat je een romancier niet kunt aanspreken op wat hij de personen in zijn roman laat zeggen. Ongetwijfeld begrepen de rechters best dat veel katholieken dit argument als juridische sofisterij zouden ervaren en zich diep beledigd zouden blijven voelen. Maar zij gaven toch niet toe aan die op zichzelf volstrekt begrijpelijke gevoelens van gekrenktheid. Voor hen was de wet het instrument om recht te spreken en niet om de sociale vrede te bewaren. Meer dan een halve eeuw later hebben we weer een rechtszaak wegens belediging van een bevolkingsgroep. Dit keer is de gedaagde niet een romancier maar de politicus Geert Wilders. En dit keer zijn niet de katholieken maar de moslims de beledigde volksgroep. Opvallend is dat in dit geval het openbaar ministerie niet tot vervolging wilde overgaan omdat de gewraakte uitlatingen van Wilders niet zozeer de moslims zelf als wel hun geloof betroffen. De gedachte was dat „de eigenwaarde van een groep gelovigen", zoals het OM dat zelf uitdrukte, niet noodzakelijkerwijs wordt aangetast door belastering van hun religie. Het OM onderscheidde strikt tussen de gelovigen enerzijds, en hun geloof anderzijds. De grondgedachte hier is dat krenking van iemand in zijn geloofsovertuiging niet automatisch betekent dat hij dan ook als persoon beledigd wordt – ongeacht hoe die persoon dat zelf ziet of ervaart. De subjectieve gevoelens van de klager kunnen niet doorslaggevend zijn voor strafoplegging. Voor het OM komt het strafrecht dus pas in beeld wanneer gelovigen objectief aantoonbaar beledigd worden. De belastering van een geloof is daar wellicht een noodzakelijke, maar in ieder geval onvoldoende voorwaarde voor. Die gedachte is volstrekt juist. Beledigen kun je alleen mensen, niet abstracta zoals het christendom of de islam. Bijgevolg past slechts vrijspraak, als het alleen om het tweede gaat. Zo was in oktober 1967 dan ook de afloop van het tegen Gerard (Kornelis van het) Reve aangespannen proces. In ’Nader tot U’ (1966) had hij geschreven dat God tot hem gekomen was in de gedaante van een ezeltje, waarna zij seksuele gemeenschap met elkaar hadden. Grote verontwaardiging onder de gelovigen, vooral bij de zeer rechtzinnige ARP-senator Hendrik Algra. De rechter hield evenwel het hoofd koel. En terecht. Want ook hier betrof het niet de gelovigen, maar het geloof zelf. Reve heeft dat later ook beklemtoond. Het Amsterdamse hof legde zich evenwel niet neer bij de vrijspraak van Wilders door het OM. Het besloot op 21 januari vorig jaar om toch tot vervolging over te gaan. In de argumentatie daartoe zei het hof dat Wilders’ uitlatingen over de islam beledigend waren voor de moslims zelf. Het omarmde dus expressis verbis het standpunt dat het OM op goed doordachte en principiële gronden juist verworpen had. Het hof deed dat zonder zelfs ook maar een poging te wagen om de subtiele redenatie van het OM te weerleggen. Dit is ergerlijk. Eigenaardig is ook de manier waarop het hof zijn beslissing beargumenteerde. Centraal staat hier het argument dat Wilders de Koran met het nazisme en met Hitlers ’Mein Kampf’ had vergeleken. In de eerste plaats is niet duidelijk of alleen het hof die vergelijking onbetamelijk vindt of dat ook moslims zélf die mening zijn toegedaan. Dat is helemaal niet zo vanzelfsprekend als het hof misschien denkt. Het is waar dat voor autochtone Nederlanders (zoals de meeste leden van het hof zullen zijn) het Hitlerregime veelal de belichaming van het kwaad is. Maar moslimlanden deden nooit ervaring op met dat regime; de vergelijking zullen moslims daarom waarschijnlijk minder aanstootgevend vinden dan niet-moslims. Iedere religie, beschaving of natie heeft nu eenmaal zijn eigen bêtes noires; die van de een zijn lang niet altijd ook die van de ander. En wij moeten natuurlijk niet de situatie krijgen dat rechters op klagers hun eigen zwarte schapen projecteren. In de tweede plaats zijn vergelijkingen als die Wilders trok lang niet zo gek als het hof blijkbaar denkt. In de geschiedfilosofie en de politieke theorie is het heel normaal om politieke systemen als het nazisme, het fascisme en het stalinisme te zien als zogenaamde ’seculiere religies’. Met andere woorden: als maatschappijopvattingen die voor de aanhangers ervan hetzelfde functioneren als religies voor gelovigen. Het idee is dat je de logica en de sociale rol van die politieke systemen het beste kunt begrijpen door ze te zien als een soort religie. Vanuit dit tegenwoordig vrij algemeen aanvaarde perspectief is Wilders’ vergelijking van de islam met het nazisme daarom eerder zinvol dan raar of aanstootgevend – al moet je bij dit alles natuurlijk wel consequent blijven en dan bijvoorbeeld ook het christendom en het jodendom in de vergelijking betrekken. Er is geen reden om hier voor de islam een uitzonderingspositie op te eisen. De geschiedenis toont aan dat al die woestijnreligies bloed aan de handen hebben (niet alleen die trouwens). Je hoeft bepaald niet bijbelvast te zijn om te weten dat ook in het Oude Testament heel wat bloeddorstige, zelfs genocidale passages voorkomen. En dat die tot op de huidige dag hun effect sorteren, behoort tot de dagelijkse ervaring van de Palestijnen. Hoe dan ook, als het hof Wilders vervolgen wil vanwege zijn opmerkingen over de islam en als hij een goede advocaat heeft, dan zal het spoedig bemerken weg te zakken in geschiedfilosofisch en politiek theoretisch drijfzand. Verder is er de kwestie van de vrijheid van meningsuiting. Hier heeft Wilders zich inderdaad in een paradox gewerkt. Hij eist immers voor zichzelf de vrijheid op te om te kunnen zeggen dat de Koran verboden moet worden. Hij wil gebruikmaken van de vrijheid van meningsuiting om die aan banden te leggen. Hier zou het hof terecht op kunnen wijzen. Vervelend voor het hof is evenwel dat we al een verboden boek hebben: Hitlers ’Mein Kampf’. En dus heeft Wilders een punt als hij zegt: waarom is dat boek wel verboden, maar de Koran niet? Omdat die twee vergelijkbaar zijn, zo zal hij verdergaan, kan ik redelijkerwijs verlangen dat het verbod op de Koran nu ook op de agenda moet. Anderen zouden dan een verbod op het Oude Testament kunnen aankaarten vanwege die genocidale passages. Tegen die logica valt niets in te brengen. Het is daarom het verstandigst om af te stappen van dat verbod op ’Mein Kampf’. Dan kan er ook geen sprake meer zijn van discussies over een verbod op de Koran. Het is bovendien niet goed te begrijpen waarom aan dat verbod op ’Mein Kampf’ nog steeds wordt vastgehouden. Waarschijnlijk omdat niemand het ooit las. Anders wist iedereen dat het een buitengewoon vervelend en langdradig boek is dat in onze tijd echt niemand meer het hoofd op hol zal brengen. Behalve dan mensen in wier bovenkamer het toch al niet pluis is. Maar er is nog iets belangrijkers aan de hand. Hermans en Reve namen het ’autochtone’ christendom op de korrel, terwijl het Wilders gaat om de religie van onze nieuwe landgenoten. Dat is andere tabak als knaster. De eigenaardigheden van het rooms-katholicisme en van de vele varianten van het protestantisme behoren tot de vaderlandse geschiedenis en tot de Nederlandse identiteit. De Nederlandse islam is een geheel nieuwe aanzet. Dat die tot groter problemen zou leiden dan het samenleven van katholieken, protestanten en niet-gelovigen was daarom te verwachten. Desondanks heeft de Nederlandse politiek dat niet willen voorzien. Het resultaat was wat Paul Scheffer een jaar of tien geleden omschreef als ’het multiculturele drama’. De omvang ervan valt moeilijk te onderschatten. Voor een substantieel aantal Nederlanders – zowel allochtonen als autochtonen – is dat drama zelfs de belangrijkste sociale en politieke realiteit geworden. Achteraf kun je je erover verbazen waarom wij dit probleem over ons afgeroepen hebben. Ging het om de bewoners van voormalige koloniën, dan had je nog kunnen zeggen dat wij hier een morele verantwoordelijkheid droegen. Maar tegenover de bewoners van Marokko en Turkije hebben wij even weinig (of evenveel) morele verplichtingen als tegenover die van Peru, Mongolië of Pakistan. Tegelijkertijd is duidelijk dat je hen niet allemáál in Nederland toe kunt laten, als ze dat zouden wensen. Je moet dus beginnen met het maken van duidelijke en uitvoerbare keuzes. Dat is nagelaten – tot op de huidige dag trouwens. Het genereuze beleid van de Nederlandse overheid inzake immigratie was (en is) door de politiek onvoldoende doordacht in zijn principiële uitgangspunten en consequenties. Ook vanuit het perspectief van de immigranten zelf, zoals ik daaraan met klem wil toevoegen. Hun besluit om naar Nederland te komen zal zelden zijn ingegeven door warme gevoelens voor ons land – een land waarvan zij zich ongetwijfeld nauwelijks een voorstelling konden maken – maar vooral door materiële overwegingen. Daar is in het geheel niets mis mee. Je kunt het niemand kwalijk nemen dat hij zich daardoor laat leiden. Zo zitten u en ik tenslotte ook in elkaar. Maar wat immigranten aldus wonnen aan materiële vooruitgang, raakten ze vaak dubbel en dwars weer kwijt door het immateriële verlies van alles wat vertrouwd, dierbaar, herkenbaar en vanzelfsprekend was geweest in het land van herkomst. Velen zullen de verbetering in hun materiële omstandigheden hebben bekocht met het pijnlijk besef voortaan te moeten leven in een land en een cultuur die hen vreemd zijn. De desillusies van de multiculturele samenleving zijn daarom evenzeer die van de ’nieuwe’ als van de ’oude’ Nederlanders. Vanuit dat perspectief was de massale immigratie van de afgelopen decennia geen goed idee. En als wij in de periode 1975-1980 hadden geweten wat wij nu weten, dan hadden we ook vast anders besloten. Het levensgeluk van zowel ’oude’ als ’nieuwe’ Nederlanders was daarmee gediend geweest. Cruciaal is dat vanuit de samenleving steeds voldoende signalen kwamen die hierop wezen, maar dat politiek Den Haag, vrijwel kamerbreed en tot op de huidige dag, besloot die systematisch te negeren. Het is aan toekomstige historici om uit te zoeken hoe dat kon gebeuren. Het gevolg was wel dat de afstand tussen bevolking en regering sterk toenam. En je kunt je er alleen maar over verbazen dat politici zich daarover verbazen. Denken zij nu echt dat zij jaar op jaar, verkiezing op verkiezing als irrelevant terzijde kan schuiven wat een significante meerderheid van het electoraat wenst – zonder het vertrouwen van de kiezers te verliezen? Soms lijkt het daar wel op. Neem de commissie-Dijksma die moest uitzoeken waarom de PvdA bij de laatste verkiezingen voor het Europese Parlement zulke slechte resultaten behaalde. De verklaring zocht zij op de buitenissigste plaatsen, terwijl een kind snapt dat de partij de rekening gepresenteerd kreeg voor haar immigratiebeleid van de laatste dertig jaar. Dat imago zal de PvdA nog wel een tijdje houden. Het ziet er dus voorlopig slecht voor haar uit. Met de dagvaarding van Wilders mengt het Amsterdamse hof zich in dit politieke debat over de immigratie en integratie. Nu klagen rechters graag en veel over inmenging van de politiek in de rechtspraak. En als dat gebeurt, hebben zij zeker gelijk, want dat is in strijd met de machtenscheiding. Maar als rechters zich daarop beroepen, horen ze te weten dat zij van hun kant óók met hun vingers van de politiek moeten afblijven – al helemaal als het om zo’n gevoelige zaak als deze gaat. Bovendien zal in dit geval die inmenging ook nog eens contraproductief zijn. Velen wezen er al op dat het proces tegen Wilders zijn populariteit alleen maar zal vergroten. Verder lijkt het hof zich niet te realiseren wat de rampzalige gevolgen kunnen zijn van een eventueel succes in de zaak tegen Wilders. Het OM leek een effectieve barrière te hebben opgeworpen tegen een stortvloed van strafzaken over haatzaaien en belediging, door het objectieve gegeven van ’de eigenwaarde van een groep gelovigen’ en niet de subjectieve ervaringen van de klager zelf als toetssteen te nemen. Verdwijnt die barrière, dan kan iedereen die zich beledigd voelt, alleen al om die reden naar de rechter stappen. Het aantal strafzaken over haatzaaien en belediging zal dan explosief stijgen, er zal een claimcultuur op dat terrein ontstaan, de verhouding tussen allochtoon en autochtoon Nederland zal nog verder verharden en verslechteren, en niemand zal meer een mond durven opendoen uit angst iemand anders te beledigen en voor de rechter gesleurd te worden. Zo wordt dan precies het omgekeerde bereikt van wat de bedoeling was. Het verlangen van het Amsterdamse hof om zich met de politiek te bemoeien is een van de ongelukkige gevolgen van de instrumentalisering van het recht sinds de jaren zeventig. Vóór die tijd ordende het recht bovenal de verhoudingen tussen (rechts)personen. Sindsdien is het recht in toenemende mate gebruikt (of: misbruikt) om de samenleving zelf te ordenen. Recht werd bestuursrecht, en daarmee een van de instrumenten van de overheid om aan de samenleving vorm te geven. Deze ontwikkeling past uitstekend binnen het bestaande model van de activistische overheid. Het is een wijdverbreide mythe dat de overheid zich uit de samenleving zou terugtrekken. Veel beter kun je spreken van ’gulzig bestuur’, om de titel te citeren van de in september vorig jaar aan de Vrije Universiteit uitgesproken oratie van Willem Trommel. De overheid bemoeit zich meer dan ooit met alles, voor en achter de voordeur, en zij wil overal een vinger in de pap hebben. Zo heeft klaarblijkelijk ook het Amsterdamse hof geconstateerd dat Wilders Nederlandse burgers tegen elkaar opzet, en daaruit geconcludeerd dat het zijn plicht is om met de hem ter beschikking staande middelen daar iets tegen te doen. Het ’goede doel’ telt hier in de eerste plaats, de vraag of de gebruikte middelen passend zijn, wordt terzijde geschoven – zoals blijkt uit de evidente onwil van het hof om zich te verdiepen in de overwegingen van het OM. Maar het is niet de taak van de rechter om een nieuw, door hem gewenst regime te scheppen in hoe Nederlandse burgers zich tot elkaar verhouden. Dat is allereerst een zaak voor het publieke debat, dat later al dan niet zal uitkristalliseren in politieke besluitvorming. De rechter hoort dat af te wachten. Het past hem niet om op eigen houtje het rechterlijk apparaat in te zetten voor de verwezenlijking van een maatschappelijke orde waarin hij toevallig zelf aardigheid heeft. Een ander kras voorbeeld van een dergelijk abus de pouvoir is het bericht dat in november in de Volkskrant verscheen. Uit een op verzoek van Binnenlandse Zaken verricht wetenschappelijk onderzoek zou blijken dat Wilders’ PVV een gevaar zou zijn voor de veiligheid van de staat. Eerst werd beweerd dat het ministerie met deze nogal pathetische bevinding in de maag zat. Later verklaarden de onderzoekers zelf nog lang niet aan een conclusie toe te zijn. Toch had het departement het bewuste bericht al naar de Volkskrant gelekt. Je hoeft niet paranoia te zijn om hierin een onhandige poging van het ministerie te vermoeden om de PVV zwart te maken. Het kan zijn dat het daar goede redenen voor heeft, daar gaat het hier niet om. Het gaat erom dat departementale diensten tot taak hebben om de regering in haar beleid te ondersteunen, en niet om aan de bewindslieden onwelgevallige politieke partijen in een kwaad daglicht te stellen. Daar hebben we het openbare debat en de Tweede Kamer voor. Bezien we onze omgang met haatzaaien en de belediging van volksgroepen over de laatste vijftig jaar, dan is het beeld gemengd. De rechters die oordeelden over de zaken tegen Hermans en Reve moeten we prijzen om hun beginselvastheid. Datzelfde geldt voor de opstelling van het OM inzake Wilders. Ook de Tweede Kamer verdient lof omdat zij ten opzichte van Wilders niet de fouten herhaalt waaraan zij zich bezondigde bij Hans Janmaat, leider van de Centrum Democraten. Een absoluut dieptepunt was de veroordeling van Janmaat voor uitspraken als ’Vol is vol’. In de verkiezingscampagne van 2002, vijf jaar nadat de man daarvoor nog eens veroordeeld werd, zei Gerrit Zalm van de VVD exact hetzelfde. Geen rechter die erom maalde. Een rechterlijke macht die in zo korte tijd zo’n grote ommezwaai maakt, erkent daarmee in haar oordeelsvermogen pijnlijk gefaald te hebben. Het is daarom te hopen dat het besluit van het Amsterdamse hof om Wilders te vervolgen tot deze incidentele misstap beperkt zal blijven. Het besluit is onvoldoende doordacht, contraproductief, het schaadt de vrijheid van meningsuiting en het aanzien van de rechterlijke macht, het plaatst de rechter op de stoel van parlement en regering, en het komt neer op misbruik van juridische bevoegdheden. En bovenal is het heel, héél erg dom. J.Th. Degenkamp, oud-hoogleraar rechtswetenschap RUG (Trouw, 5.1.2010) Er valt veel te zeggen voor een rechtszaak-Wilders. Zijn uitspraken zijn discriminerend, maar hij verdient geen straf. Historicus Frank Ankersmit vindt het besluit om Geert Wilders te vervolgen 'heel erg dom' (Letter & Geest, zaterdag 2.1.2010). Hij drukte zich niet erg zorgvuldig uit, want het Amsterdamse Hof heeft niet besloten Wilders te vervolgen: het heeft de offier van justitie bevolen Wilders te dagvaarden wegens het aanzetten tot haat, discriminatie en groepsbelediging. Ankersmit concentreert zijn betoog vooral op de belediging van een bevolkingsgroep. Hij verwijst naar de zaken Hermans en Van het Reve in het verleden. Dat betrof kunstenaars. De historische vergelijking gaat dus mank. Verder gaat het in de zaak-Wilders niet alleen om belediging, maar naast haat zaaien ook en vooral om discriminatie. De elementen haat zaaien en belediging in de dagvaarding geef ik eerlijk gezegd niet veel kans, maar met het onderdeel discriminatie is het anders gesteld. Het Wetboek van Straftecht geeft (voor de liefhebbers; artikel 90quater) een ruime definitie: het gaat om elke vorm van onderscheid, elke uitsluiting, beperking of voorkeur, die tot doel of tot gevolg heeft dat fundamentele rechten en vrijheden in het maatschappelijk Ieven worden aangetast of teniet gedaan. Wie daar de uitlatingen van Wilders naast legt, en ook nog in het Wetboek van Strafrecht leest dat het aanzetten tot discriminatie wegens onder andere godsdienst (artikel 137d) strafbaar is, kan toch moeilijk spreken van een ondoordachte beslissing. Is dit een politieke rechtszaak? Nee: rechters beslissen in juridische geschillen en het feitelijk effect van die beslissingen is soms dat die beslissingen fungeren als informatie over recht, ook voor anderen dan degenen tussen wie de beslissing van de rechter genomen is. Ankersmit brengt ook een heel merkwaardige tegenstelling aan: hij stelt dat de wet instrument is om recht te spreken en niet om de sociale vrede te bewaren. Ik verwijs naar rechtpsycholoog Crombag, die ooit stelde dat: het recht, hoe onvolkomen ook, het enige is dat tussen ons en de chaos staat. Je zou het recht de gestolde maatschappelijke beschaving kunnen noemen. Onderdeel van die beschaving is het verbod op discriminatie. Dat heeft niets te maken met 'instrumentalisering' van het recht of met activisme van de overheid. Het gaat bij discriminatie om de grondwaarden van de beschaving. Daar mogen het recht en ook de rechter zich mee bemoeien. Principieel valt er veel te zeggen voor een rechtszaak-Wilders. De uitspraken van Wilders zijn discriminerend. Elk vonnis zal hem politiek voordeel opleveren. Wordt hij veroordeeld, dan is hij martelaar van het vrije woord; en wordt hij ontslagen van rechtsvervolging, dan is hij overwinnaar. Een tussenoplossing is mogelijk. Het strafrecht kent de mogelijkheid van een veroordeling zonder oplegging van straf. In aanmerking genomen dat Geert Wilders reeds geruime tijd moet worden beveiligd tegen islamitische fundamentalisten en dat hij door zijn collega politici ook niet allerlei fraais naar zijn hoofd gekregen heeft, is een dergelijke uitspraak niet meer dan billijk. Wilders krijgt op een beschaafde manier te horen dat discriminatie niet mag en daar blijft het bij. Bijkomend voordeel is dat hij na een uitspraak hoogstwaarschijnlijk ook weinig succes zal hebben om zijn gelijk te zoeken bij het Europese Hof. Het is dus onverstandig de zaak tegen Wilders 'dom' te noemen. (Trouw) Zie ook Degenkamp’s opinie in NRC op 19 januari 2010. http://www.art1.nl/artikel/7706-Juridische_analyse_uitspraken_Wilders http://www.art1.nl/artikel/192-Geschokt_gekwetst_verontrust arrest van de Hoge Raad uit 1983 als richtsnoer. De cruciale overweging van de Hoge Raad in dat arrest was de volgende: "Bij de hier aan de orde zijnde vraag of gehandeld is in strijd met de in het maatschappelijk verkeer betamelijke zorgvuldigheid staan in beginsel twee, ieder voor zich hoogwaardige, maatschappelijke belangen tegenover elkaar: aan de ene kant het belang dat individuele burgers niet door publicaties in de pers worden blootgesteld aan lichtvaardige verdachtmakingen; aan de andere kant het belang dat niet, door gebrek aan bekendheid bij het grote publiek, misstanden die de samenleving raken kunnen blijven voortbestaan. Welke van deze belangen in een gegeven geval de doorslag behoort te geven hangt af van de in onderling verband te beschouwen omstandigheden van het geval." Die beperkingen moeten ‘noodzakelijk’ zijn in een democratische samenleving ter bescherming van een aantal met name genoemde belangen: de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, het voorkomen van de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen of het waarborgen van de onpartijdigheid van de rechterlijke macht. Volgens de rechters van het Hof in Straatsburg is de vrijheid van meningsuiting van de media er niet alleen om informatie en ideeën te verspreiden die iedereen aardig vinden. Die vrijheid is er ook om denkbeelden en ideeën te verspreiden die schokken, kwetsen of verontrusten. http://www.klassieken.nl/boekboek/show/id=53354 De wet van de letter Discriminatie en literatuur: Theo van Goghs ‘Een Messias zonder kruis’ beledigend voor Joden? De paragraaf die discriminatie van bevolkingsgroepen strafbaar stelt is ongeveer gelijktijdig met het godslasteringsartikel in de woelige crisisjaren dertig ontstaan. Artikel 137c werd in 1934 in het Wetboek van Strafrecht opgenomen, in eerste instantie om opruiing tegen joden en ordeverstoringen te voorkomen. (..) het proces uit 1995 tegen Theodor Holman te zien. In Het Parool had Holman in een column onder andere geschreven: ‘Nog steeds vind ik iedere christenhond een misdadiger, bidden iets kinderachtigs en de kerk een poppenkast.’ De rechtbank wees de aanklacht op basis van artikel 137c -- de discriminatie van bevolkingsgroepen -- af. Het voornaamste argument daarvoor was dat hier geen bevolkingsgroep werd beledigd maar dat alleen degene die aangifte had gedaan zich beledigd voelde. Tot deze conclusie kwam de rechter omdat volgens hem de meeste reacties op Holmans tekst niet te kennen gaven dat de column in haar geheel was gelezen. Alleen de interpretatie van de gewraakte passage binnen het geheel kan voldoende rechtsgrond voor een veroordeling bieden, en dat was hier volgens de rechter niet het geval. (..) het grote aantal processen dat tussen 1985 en 1993 tegen Theo van Gogh werd gevoerd naar aanleiding van zijn stuk ‘Een messias zonder kruis’. De eerste serie werd gevoerd op basis van de publicatie van ‘Een Messias zonder kruis’ in Moviola, tijdschrift tot rust en vreugd in film en cultuur in 1984 en eindigde in 1990 met de bevestiging van de veroordeling van Van Gogh door de Hoge Raad. De tweede serie startte naar aanleiding van de publicatie van dezelfde tekst in Van Goghs boek De weldoener (1988) en eindigde in 1993 met vrijspraak door het Hof in Amsterdam. Strekking van het betoog waarbinnen gewraakte uitspraken over joden worden gedaan: ‘De verdachte verwijt een filmregisseur en scriptschrijver [Leon de Winter] dat hij zijn artistiek falen bemantelt met een beroep op hetgeen de aangevallene in een televisie-interview heeft aangeduid als zijn 'joodse identiteit' [...].’ De dominantie van de tekstgerichte uitleg van de jurisprudentie in de hier onderzochte processen is evident. De intentie van de auteur speelt geen noemenswaardige rol. De expliciete bedoeling van de auteur speelde in de eerste serie uiteindelijk slechts een ondergeschikte rol. Het is in dit verband opvallend dat de eerdere oordelen in het voordeel van Van Gogh (het Hof in Amsterdam in 1985 en de politierechter in 1988) wél de klemtoon op de bedoeling en de gevoelens van Van Gogh legden. In het eerste proces van de tweede serie veroordeelde de Amsterdamse politierechter op 21 februari 1992 Van Gogh voor de afdruk van ‘Een Messias zonder kruis (Enige kanttekeningen bij Leon de Winter)’ in De weldoener (1988) wegens belediging van joden op basis van artikel 137c. Het verrassende is nu dat juist het Hof van Amsterdam in hoger beroep -- in afwijking van zijn eigen oordeel van drie jaar geleden -- het oordeel van de politierechter vernietigde en Van Gogh op 26 januari 1993 vrijsprak. Beledigende passages worden bij literaire teksten blijkbaar geneutraliseerd, wanneer, ten eerste, de schrijver van een ‘essay’ een begrijpelijke en redelijke bedoeling heeft en, ten tweede, deze auteursintentie een functionele verklaring van de gewraakte passages met het oog op het geheel mogelijk maakt. NRC 26 januari 2009 http://www.nrc.nl/opinie/article2132228.ece/Vervolging_Wilders_is_geen_politiek_proces,_maar_zijn_functie_speelt_wel_een_rol Bibi van Ginkel De rechter die moet beslissen over veroordeling van Wilders krijgt het moeilijk. Een politicus staat niet boven de wet, maar heeft wel een speciale taak. Namelijk het aankaarten van maatschappelijke problemen én het vervullen van een voorbeeldfunctie. De wet geldt voor iedereen. Niet alleen voor diegenen die deze kennen, begrijpen en zinvol achten. In laatste instantie is het de rechter die de wet uitlegt. Dit is één van de belangrijke pijlers van onze vrije democratische rechtstaat. Net als onze grondrechten, en net als onze democratie, waarin parlementariërs in vrijheid sociale en maatschappelijke thema’s aan de orde kunnen stellen. Het kan echter voorkomen dat deze uitgangspunten met elkaar in botsing komen. Bijvoorbeeld doordat de vrijheid van meningsuiting raakt aan het verbod tot haat zaaien en het discrimineren van een bepaalde bevolkingsgroep. Dit is bij uitstek precair wanneer deze botsing der rechten gebeurt bij monde van uitspraken van een parlementariër. Zoals gezegd is het de rechter die dan in laatste instantie alle belangen tegen elkaar afweegt binnen de marges die de wet daarvoor biedt. De discussie rond de vervolging van de heer Wilders vanwege zijn uitspraken over de islam roept logischerwijs veel emoties op. Maar het is goed dat een rechter zich hierover buigt en vaststelt welke grenzen in acht moeten worden genomen. Hiermee kan niet gezegd worden dat de rechters zich hierdoor in het politieke debat mengen. Ze zullen immers slechts polsen hoe de uitspraken van de heer Wilders in het huidige politieke klimaat gekwalificeerd moeten worden. Eerder deed een rechtbank op dezelfde wijze uitspraak over de (on)zedelijkheid van seksshops en pornofilms in de toenmalige maatschappij. Het gaat daarbij om het meewegen van het tijdsbeeld. Bovendien kan het niet zo zijn dat politici geheel boven de wet staan. Dat zou immers ook een ondermijning van het gezag zijn. Uiteraard zullen de rechters wel in hun overwegingen de speciale taak van een volksvertegenwoordiger mee laten wegen. Maar daarbij zal tevens aandacht zijn voor de bijzondere verantwoordelijkheid en de functie van rolmodel van een volksvertegenwoordiger. De rechter kan derhalve enkele richtingwijzers geven in het debat rond de islam. Het zal daarbij vermoedelijk gaan om woordkeuze en de onderliggende boodschap die daarmee wordt uitgedragen. Het zal de rechter echter niet passen om de discussie over het onderwerp als zodanig in zijn geheel te verbieden. Dat zou immers een politieke uitspraak zijn. Hoewel er wordt beweerd dat de uitspraak van het Hof die het OM beveelt tot vervolging in feite al een definitieve veroordeling bevat, is deze opvatting niet juist. De vraag die het Hof heeft beantwoord is immers of er reden was aan te nemen dat een veroordeling tot de mogelijkheden behoort. De zaak moet dan nog beginnen. Er zal immers een zaak voorbereid moeten worden door het OM, en er zal ook een verdediging gevoerd moeten worden. De uiteindelijke uitspraak kan derhalve evengoed in het voordeel van Wilders uitpakken. Wat in ieder geval van het grootste belang is, is dat de rechters in deze zaak zeer zorgvuldig en goed gemotiveerd hun overwegingen uiteen zetten. We moeten immers niet vergeten dat het om de afweging van drie fundamentele waarden gaat die allen van belang zijn voor onze democratische rechtstaat. Namelijk de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van een parlementariër om maatschappelijke problemen aan te kaarten en de rechten van een bevolkingsgroep om niet beledigd te worden en in angst te leven. Volkskrant, 30 januari 2009 http://www.volkskrant.nl/archief_gratis/article1140800.ece/Proces_Wilders_moet_worden_gevoerd Rick Lawson Het is terecht dat Wilders zich in de rechtszaal moet verantwoorden, vindt Rick Lawson. Maar dat hij al veroordeeld zou zijn, is onzin. Afshin Ellian trok stevig van leer tegen het besluit van het Amsterdamse hof om de strafvervolging van Geert Wilders te bevelen (Forum, 26 januari). ‘Verbijsterend’ noemt hij het; dit is rechtspraak ‘in de stijl van het Ancien Régime’. ‘Het fair trial-beginsel wordt door dit hof met voeten getreden’, tiert hij: het hof ‘veroordeelt’ Wilders ‘zonder verdachte, zonder zitting, zonder aanklacht, zonder requisitoir, zonder pleidooi en zonder verklaring van getuige-deskundigen’. Wat gek. Mijn versie van de Amsterdamse uitspraak bevat een lange passage die de andere kant op wijst. Die begint zo: ‘Voorts acht het hof het van belang op te merken ... dat zijn oordeel in het kader van deze beklagprocedure een voorlopig karakter draagt. De vraag wat naar Nederlands recht strafbaar is, staat ter beoordeling van de strafrechter die in een openbaar strafproces alle ruimte toekomt om te onderzoeken of een veroordeling op haar plaats is.’ Zou deze passage hebben ontbroken in de versie die Ellian onder ogen kreeg? Maar misschien wil Ellian die passage helemaal niet zien; misschien wil hij ons doen geloven dat de uitkomst van het strafproces al bij voorbaat vastligt. Ik ben het wel met hem eens dat het hof neutraler had kunnen spreken over de strafbaarheid van Wilders. Maar dat had aan de essentie niets veranderd: de grenzen van de vrijheid van meningsuiting zullen in de rechtszaal worden vastgesteld. En het is nog maar de vraag hoe dat gaat aflopen. Er komt nu een procedure met rechtbank, hoger beroep, de Hoge Raad, en daarna wellicht nog het Europese Hof voor de Rechten van de Mens. Geert Wilders kan alle argumenten voor zijn standpunt aanvoeren. Of zou de rechterlijke macht collectief door de knieën gaan voor een ‘verbijsterende’ uitspraak van het Amsterdamse hof? Welnee. De Hoge Raad is het wel vaker oneens met de lagere rechter. Anders konden we de Hoge Raad ook wel missen. Voor Ellian zijn de grenzen van de vrijheid van meningsuiting eenvoudig. Met benijdenswaardige beslistheid stelt hij: alleen waar gedreigd wordt met geweld, is ruimte voor ingrijpen. Die visie past in de Amerikaanse doctrine. Maar de Nederlandse rechter houdt er in het algemeen andere opvattingen op na. Daar kun je het mee oneens zijn. Je kunt voorstellen het Nederlandse recht zo aan te passen dat ontkenning van de holocaust of belediging op grond van ras niet langer strafbaar is – maar zeg dan niet dat het Amsterdamse hof rechtspreekt ‘in de stijl van het Ancien Régime’. Wat staat er ook alweer in de Verklaring van de Rechten van de Mens en de Burger uit 1789, toen dat Ancien Régime net omver was geworpen? Juist: ‘Vrijheid behelst dat je alles mag wat een ander geen schade toebrengt.’ Ouderwets? Niet bepaald. Anno 2009 benadrukt het Europese Hof voor de Rechten van de Mens keer op keer dat de vrijheid van meningsuiting niet onbeperkt is. Natuurlijk moet een politicus zich vrij kunnen uiten, maar je mag ook van hem verwachten dat hij in het openbaar maat houdt en niet tot haat of intolerantie aanzet. Wie zich keert tegen het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens of de waarden die daaraan ten grondslag liggen, komt geen bescherming van de vrijheid van meningsuiting toe, is in het kort de boodschap. Die rechtspraak staat centraal in de redenering van het Amsterdamse hof. Natuurlijk kun je van mening verschillen over de grenzen van het toelaatbare. Maar is een proces dan niet welkom, juist omdat er zo verschillend wordt gedacht over die grenzen? Van ras-debater Wilders mag je verwachten dat hij daar niet voor wegloopt. En van Ellian mag je verwachten dat hij recht doet aan de inhoud van het Amsterdamse bevel tot vervolging, dat hij degenen die tot een andere afweging komen, serieus neemt, en dat hij een handvat geeft voor een zinvolle discussie. En dan nu de overwegingen van het Gerechtshof te Amsterdam om alsnog strafvervolging van Geert Wilders te bevelen. LJN: BH0496, Gerechtshof Amsterdam http://zoeken.rechtspraak.nl/resultpage.aspx?snelzoeken=true&searchtype=ljn&ljn=BH0496&u_ljn=BH0496 http://zoeken.rechtspraak.nl/default.aspx?searchtype=kenmerken&instantie_uz=Gerechtshof+Amsterdam zoek op Wilders uitspraak 21 januari 2009 Op 21 januari 2009 heeft het gerechtshof te Amsterdam de strafvervolging bevolen van de parlementariër Geert Wilders wegens het aanzetten tot haat en discriminatie op grond van door hem gedane uitlatingen in diverse media over moslims en hun geloof. Tevens acht het hof strafvervolging aangewezen ter zake van belediging van de moslimgelovigen wegens de door Wilders gemaakte vergelijkingen van de islam met het nazisme. Het openbaar ministerie heeft zich onder meer op het standpunt gesteld, dat een deel van de uitingen van Wilders geen betrekking heeft op een groep gelovigen, maar kritiek betreft op het moslimgeloof, waardoor de eigenwaarde van die groep gelovigen niet wordt aangetast en die groep evenmin in diskrediet wordt gebracht. Sommige uitlatingen van Wilders kunnen wel als krenkend worden aangemerkt, maar omdat zij (buiten de Tweede Kamer) zijn gedaan als bijdrage aan een maatschappelijk debat valt de strafbaarheid van die uitingen weg, aldus het openbaar ministerie. Het hof is het met dit standpunt van het openbaar ministerie en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen niet eens. Het hof heeft daarbij overwogen dat de gewraakte meningsuitingen van Wilders (ook zoals in beeld gebracht in zijn film Fitna) in onderlinge samenhang bezien naar Nederlands recht strafbaar zijn, zowel door hun inhoud als door de wijze van presenteren. Deze wijze van presenteren kenmerkt zich door eenzijdige, sterk generaliserende formuleringen met een radicale strekking, niet aflatende herhaling en een toenemende felheid, waardoor er van haatzaaien sprake is. De meeste uitlatingen zijn in de opvatting van het hof tevens beledigend, nu zij de moslimgelovigen wezenlijk in hun religieuze waardigheid aantasten. In de opvatting van het hof heeft Wilders ook door de symbolen van het moslimgeloof aan te tasten wel degelijk de moslimgelovigen zelf beledigd. (..) haatzaaiende en kwetsende uitlatingen van politici, gelet op hun bijzondere verantwoordelijkheid, ook volgens Europese normen niet door de beugel kunnen. (..) Volgens het hof is het haatzaaien in een democratische rechtsorde dermate ernstig dat een algemeen belang aanwezig is om in het maatschappelijk debat een duidelijke grens te trekken. (..) van moslimimmigranten begrip mag worden verwacht voor de in Nederland heersende sentimenten ten aanzien van hun geloof, dat op enkele onderdelen op gespannen voet staat met Nederlandse en Europese waarden en normen. (..) Het hof maakt echter een uitzondering voor beledigende uitlatingen waarin een relatie met het nazisme wordt gelegd (door onder meer de Koran met "Mein Kampf" te vergelijken). Dit vindt het hof dermate beledigend voor de bevolkingsgroep van moslimgelovigen dat een algemeen belang aanwezig wordt geacht om Wilders daarvoor te vervolgen. (..) De inhoud van de klachten a. Belediging (art. 266 Sr) In hun klaagschrift betogen klagers 1 dat de uitlatingen niet alleen betrekking hebben op de godsdienst islam, maar op grond van jurisprudentie ook beledigend zijn te achten voor de moslims als groep. Volgens klagers miskent het openbaar ministerie met het onderscheid tussen gelovigen en het geloof de jurisprudentie van het EHRM op dit punt. Nu het openbaar ministerie zelf heeft erkend dat de vergelijking met Mein Kampf voor veel moslims een grove belediging is, achten klagers 1 de delictsomschrijving van artikel 137c Sr vervuld. (..) jurisprudentie van het EHRM waarin is uitgemaakt dat kritiek op een godsdienst ook kritiek op gelovigen impliceert. [ ook volgens de NL wetgeving? ] b. Smaad cq. laster (artt. 261 en 262 Sr) c Groepsbelediging (art. 137c Sr) (..) Ten aanzien van de uitlating "ik heb genoeg van de Koran in Nederland: verbied dat fascistische boek" en de strafbaarheid daarvan onder artikel 137c Sr, bespreekt klaagster 7 het argument van het openbaar ministerie dat Wilders zich in zijn uitlating niet richt op een groep mensen en geen conclusies trekt ten aanzien van een groep mensen. Zij zet daar tegenover dat Wilders zijn uitlating heeft gedaan in combinatie met de uitlatingen dat Nederland moet worden gesloten voor moslimimmigranten en dat het heilige boek van de gelovigen op één lijn is te stellen met Mein Kampf. Hiermee stelt Wilders volgens Klaagster 7 dat iedere moslim en iedere toekomstige moslimimmigrant, een dood- en verderfzaaiend individu is. (..) d. Aanzetten tot haat (art. 137d Sr) In de ogen van klagers 1 is het voor het bewijzen van het aanzetten tot haat niet nodig dat het schetsen van een conflictueuze tweedeling gepaard dient te gaan met opruiende elementen in de uitlating en erop gericht dient te zijn om anderen tot een bepaald handelen te bewegen. Klagers 1 verdedigen de stelling dat het ontstaan van een vijandige beeldvorming en het mede op basis daarvan aanzetten tot discriminatie voldoende moet worden geacht voor het aanzetten tot haat. (..) Voor wat betreft de strafbaarheid van de uitlating "ik heb genoeg van de islam in Nederland: geen moslimimmigrant er meer bij" onder artikel 137d Sr, gaat klaagster 7 in op het argument van het openbaar ministerie dat de uitlatingen van Wilders er niet, dan wel onvoldoende op gericht zijn om anderen tot een bepaald handelen te bewegen, dan wel gevoelens van haat jegens een bepaalde groep op te wekken. Klaagster 7 brengt daartegenin dat Wilders niet anders dan het doel moet hebben gehad om sympathie te verwerven voor het standpunt dat de grenzen van Nederland dienen te worden gesloten voor moslimimmigranten. Nu Wilders de koran op een lijn stelt met Mein Kampf is deze tekst in de ogen van Klaagster 7 niet anders uit te leggen dat dat Wilders de moslims van nu ziet als de nazi’s van toen. Wilders zou daarmee angst aanjagen en wil anderen doen geloven dat iedere willekeurige moslim uitsluitend uit zou zijn op dood en verderf. Tenslotte merkt Klaagster 7 nog op dat kritiek op een godsdienst, kritiek op de aanhangers impliceert en dat Wilders zich onmiskenbaar op personen richt, te weten de moslimimmigranten. (..) Ten aanzien van de film Fitna en in het bijzonder de hiervoor onder c. bij klaagster 7 weergegeven onderdelen daarvan, stelt klaagster, wanneer zij het heeft over de strafbaarheid onder artikel 137d Sr, dat Wilders hiermee een rechtstreeks verband heeft willen leggen tussen het stijgend aantal moslimimmigranten in Nederland en het risico dat bestaat op het ontstaan van een samenleving die is doordrenkt van bloed en gewelddadigheden. Klaagster 7 betoogt dat de film zich wel degelijk richt op personen. Wilders wil namelijk de grenzen sluiten voor moslimimmigranten. Hij wil Nederland "ontdoen (…) van ongewenste elementen, in casus de aanhangers van de islam" en pleit daarom voor "een geloofstoets", aldus klaagster 7. Volgens klaagster 7 zet Wilders hiermee aan tot haat tegen de bevolkingsgroep van de moslims. e. Openbaar maken van discriminatoire/haatzaaiende uitlatingen (art. 137e Sr) f. Smalende godslastering (art. 147 Sr) Klagers 1 verzoeken het hof voorts te bevelen dat Wilders zal worden vervolgd terzake smalende godslastering. Ook dit feit zou Wilders hebben gepleegd middels de hiervoor onder c. bij klagers 1 weergegeven uitlatingen. Volgens klagers 1 heeft Wilders zich met de verwijzing naar de islam, en dus impliciet naar Allah, schuldig gemaakt aan het in artikel 147 Sr strafbaar gestelde feit. In raadkamer heeft de gemachtigde van klager 1 zich niet meer uitgelaten over dit onderdeel van de klacht. g. Overtreding van artikel 31 en artikel 31a Auteurswet h. Tot slot Door klagers 1 wordt betoogd dat de omstandigheid dat Wilders politicus is geen rechtvaardiging kan vormen voor buiten het parlement gedane uitlatingen. In de ogen van klagers 1 brengt het zijn van politicus daarentegen juist een extra maatschappelijke verantwoordelijkheid met zich mee. Klagers 1 wijzen in dat verband op de artikelen 20 en 27 van het IVBPR die het openbaar ministerie in hun optiek onvoldoende bij zijn beoordeling heeft betrokken. Door klaagster 7 wordt in haar klaagschriften tenslotte de vraag besproken of vervolging in casu achterwege dient te blijven vanwege bescherming van het recht op vrijheid van meningsuiting. Met verwijzing naar jurisprudentie van het EHRM (de zaak Norwood) betoogt zij dat daarvan geen sprake kan zijn. 5. Het verweer van Wilders Bij beantwoording van die vraag is volgens de gemachtigden van belang dat Wilders slechts waarschuwt tegen de islam, die hij als een ideologie ziet. Hij doet dat "ter bescherming van de rechtsstaat, de democratie, de scheiding van kerk en staat en de gelijkwaardigheid van mannen en vrouwen en van homo- en heteroseksuelen" en "staat in zijn opvatting over de islam zeker niet alleen". Wilders heeft echter geen enkel bezwaar tegen moslims. Daarnaast wordt aangevoerd dat er onderscheid moet worden gemaakt tussen kwetsing en discriminatie/belediging. Dit laatste, althans zo begrijpt het hof, achten de gemachtigden strafbaar, kwetsen niet altijd (..) Ten aanzien van de vrijheid van meningsuiting brengen de gemachtigden naar voren dat een publiek debat over zaken van algemeen belang slechts in gevallen van uiterste noodzaak mag worden beperkt. Bij toepassing van dit verdragsrechtelijk uitgangspunt komt verdragsstaten een ‘margin of appreciation’ toe. (..) Voor de vraag of bepaalde uitingen bescherming verdienen van het recht op vrijheid van meningsuiting (gemachtigden verwijzen in dit verband naar twee uitspraken van de Haagse voorzieningenrechter, LJN: BC8732 en AT0303) is vooral de context waarin die uitingen zijn gedaan van belang. (..) Daarbij komt dat een zekere mate van overdrijving niet zonder meer ongeoorloofd is, zeker niet in de politieke arena of in het publieke debat. Gemachtigden verwijzen in dit verband naar jurisprudentie van het EHRM waaruit dat zou blijken. [ welke jurisprudentie? ] In het vervolg van hun betoog verwijzen gemachtigden voor wat betreft de strafbaarheid van de uitlatingen van Wilders onder de artikelen 137c en 137d Sr naar het verslag van de advocaat-generaal. 5.2 Wilders Ik sta hier omdat ik uw hof en de rechtsstaat respecteer.Vooropstaat dat niemand boven de wet staat. Ik vind echter wel dat een politieke discussie in de politieke arena gevoerd moet worden, in de Tweede Kamer en dus niet in de rechtszaal. (..) In het politieke debat ben ik helder, stevig, fel en soms hard. Ik stel me daarbij altijd één doel en dat is: blijf binnen de kaders van rechtsstaat en wet. Dat is voor mij essentieel. Daar staat tegenover dat ik nu al vier jaar mijn vrijheid kwijt ben, vanwege lieden die zich niet aan de wet willen houden. Ik hecht er aan om u te zeggen dat ik niets tegen mensen heb. Ik heb niets tegen groepen mensen en ik heb ook niets tegen moslims. In het verleden heb ik alle Islamitische en Arabische landen bezocht en ben daarbij altijd prachtige en vriendelijke mensen tegen gekomen. (..) ik heb in die landen dan ook gevochten tegen de vervolging van journalisten, intellectuelen en vrouwen. Ook in Nederland heb ik moties ingediend met de strekking om homoseksuele moslims te beschermen en het tuig aan te pakken die daags na de moord op Theo van Gogh moskeeën in brand staken. Dit soort dingen komen echter niet in de media. Discriminatie en haat zijn in mijn ogen scheldwoorden. Ik vind het dan ook gênant dat ik me telkens daartegen moet verweren. Ik heb - als gezegd - echter niets tegen moslims, maar wel tegen de islamitische ideologie. Ik zie dat als een groot gevaar. Dat ik dat tot een probleem maak is niet een juridische spitsvondigheid om strafbaarheid te ontlopen, maar iets dat ik meen. Het gaat namelijk ten koste van onze vrijheid omdat het niets anders duldt dan de islam. Het staat geweld toe en in sommige gevallen gebiedt het dat zelfs. 6. De inhoud van het verslag van de advocaat-generaal Bij een technisch sepot, waarvan volgens de advocaat-generaal in casu sprake is, hanteert de advocaat-generaal als uitgangspunt dat vervolgen in een (zo goed als) kansloze zaak, alleen om tot een publieke rechterlijke behandeling te komen, niet past binnen de taakopvatting van het openbaar ministerie. "Rechtsontwikkeling kan een motief voor vervolging zijn (mits met redelijke kans op succes), publieke vrijspraak niet", aldus de advocaat-generaal. door het EHRM gewezen arresten omtrent de vrijheid van meningsuiting en godsdienstvrijheid - door het betrokken land wettelijk beschermd belang. Wanneer daarvan geen sprake is – zoals dat volgens advocaat-generaal in Nederland geldt voor het beledigen of bespotten van religieuze figuren of symbolen op zich, het beledigen/bespotten van een godsdienst en uitlatingen die beledigend zijn voor een groep door middel van bespotten van hun godsdienst of religieus belangrijke mensen of symbolen – moet voorzichtigheid betracht worden bij het toepasselijk verklaren van die uitspraken. 6.1 Artikel 137c Sr (groepsbelediging) Het moet daarbij gaan om het miskennen van de waarde van anderen of het in diskrediet brengen van een groep, omdat die van een bepaald ras is, een bepaalde godsdienst aanhangt, etc. De uitlating moet bovendien over een groep mensen en zijn kenmerk gaan. Vervolgens moet worden bezien in welke context de uitlatingen zijn gedaan: het maatschappelijke debat, de geloofsopvatting van degene die de uitlating doet en de artistieke expressie. De rechtspraak van het EHRM is hierbij van groot belang. Daaruit kan worden afgeleid dat politici een zeer sterke bescherming van hun vrijheid van meningsuiting genieten en dat inbreuken daarop niet snel zijn te rechtvaardigen. Zelfs niet als deze uitlatingen "offend, shock or disturb". Tenslotte kan het recht op vrijheid van meningsuiting beperkt worden wanneer die beperking voorzien is bij wet en noodzakelijk is in een democratische samenleving ter bescherming van de in artikel 10 lid 2 van het EVRM genoemde belangen. Een van die belangen is de bescherming van de goede naam of rechten van anderen, hetgeen volgens jurisprudentie van het EHRM ook ziet op de bescherming van religieuze gevoelens. De advocaat-generaal is allereerst van oordeel dat een deel van de gedane uitingen (zoals de uitlatingen over Allah, Mohammed en de Koran) geen betrekking heeft op een groep gelovigen, maar objectieve (relatief) abstracte kritiek betreft op het moslimgeloof. Deze uitingen omvatten geen aantasting van de eigenwaarde of het in diskrediet brengen van een groep en alleen dat is strafbaar in Nederland. Sommige (andere) uitingen (zoals de vergelijking met Mein Kampf, de verwijzing naar het fascisme en de uitlatingen over de Koran) kwalificeert de advocaat-generaal als "een gratuite belediging aan het adres van gelovigen waarbij de door hen gekoesterde religieuze symbolen worden beschimpt". De advocaat-generaal acht de daarop betrekking hebbende Europese jurisprudentie echter slechts toepasselijk op landen waar dergelijke uitingen stafbaar zijn gesteld en dat is volgens de advocaat-generaal in Nederland niet het geval. Nu strafbaarheid onder artikel 137c alleen in beeld komt wanneer de uitingen zich richten op de gelovigen zelf en daarvan in de betreffende uitingen van Wilders geen sprake is, stuit strafvervolging reeds daarop af. Zelfs als dit alles anders zou zijn, zo begrijpt het hof het betoog van de advocaat-generaal, wordt de strafbaarheid van de door Wilders gedane uitingen ontnomen doordat Wilders die als politicus heeft gedaan in het maatschappelijk debat over de invloed van de islam, de islamisering en/of het vreemdelingenbeleid. (..) Het gaat niet om een hard geval van wezenlijke aantasting van de menselijke waardigheid. (..) De uitingen in de door Wilders geproduceerde film Fitna naderen de rand waar kritiek op het geloof overgaat in kritiek op de gelovigen als groep. Voor strafvervolging dient echter duidelijk te zijn dat die rand overschreden wordt. 6.2 Artikel 137d Sr (aanzetten tot haat) Er dient sprake te zijn van een uitlating (mondeling dan wel schriftelijk) of een afbeelding die aanzet, aanspoort tot haat, discriminatie of gewelddadig optreden. (..) bewezen dient te kunnen worden dat de gedane uitlating 'een opruiend karakter' heeft. (..) ivm GW's uitlatingen: De gebruikte bewoordingen zijn er niet op gericht anderen te bewegen tot discriminatie en/of geweld, dan wel gevoelens van haat op te roepen, dan wel deze aan te wakkeren. Evenmin wordt er een intrinsiek conflictueuze tweedeling geschetst tussen een bepaalde groep en de rest van de samenleving. (..) uitingen van Wilders door de advocaat-generaal beschouwd als politieke boodschap (..) Het blijft in de ogen van de advocaat-generaal echter bij kritiek op de godsdienst. (..) "Nu de boodschap van de heer Wilders als een politieke boodschap kan worden gezien, is deze bij uitstek beschermd door de vrijheid van meningsuiting, waarbij een zekere felheid en ongenuanceerdheid van de boodschap voor lief moet worden genomen. De grens wordt echter overschreven als haat en/of discriminatie en/of geweld opzettelijk worden opgewekt door de wijze waarop de politieke boodschap is verpakt. De aard van de beelden en de teksten van de film Fitna zijn suggestief en ongenuanceerd. Dit is in het maatschappelijk debat – ook het politiek debat – nogal eens het geval". Van een overschrijding van die grens is volgens de advocaat-generaal echter geen sprake. 6.3 Conclusie advocaat-generaal Op grond van het bovenstaande geeft de advocaat-generaal het hof dan ook in overweging de klachten ongegrond te verklaren. 7. De ontvankelijkheid van klagers misdrijf tegen de openbare orde. 7.3 Advocaat-generaal Door de advocaat-generaal is hiertoe overwogen dat het in casu gaat om delicten die het gevaar van verstoring van het maatschappelijk leven moeten afwenden en die de samenleving moeten beschermen tegen onrust en wanorde. Eenieder die deel uitmaakt van dat maatschappelijk leven is dan belanghebbende in de zin van artikel 12 Sv. 7.4 Beoordeling hof Het hof is van oordeel dat de juiste maatstaf gevonden kan worden in de vrees voor maatschappelijke onrust die kan ontstaan wanneer het functioneren van de democratische rechtsorde door wanorde daadwerkelijk wordt verstoord. In dat perspectief gezien, hebben individuele burgers er een concreet belang bij dat een gevaarlijke verstoring van het maatschappelijk leven en het publieke debat dient te worden afgewend. In zoverre zal het hof – overeenkomstig de opvatting van het openbaar ministerie – alle klagers als rechtstreeks belanghebbenden aanmerken. 8. De strafbepalingen ter zake waarvan strafvervolging wordt verlangd Artikel 266 Sr (Belediging) Artikel 261 Sr (Smaad) Artikel 262 Sr (Laster) Artikel 137c Sr (Groepsbelediging) Artikel 137d Sr (Aanzetten tot haat) Artikel 137e Sr (Openbaar maken van discriminatoire en/of haatzaaiende uitlatingen) Artikel 147 Sr (Godslastering) 9. De overige relevante grondwettelijke en verdragsrechtelijke bepalingen Artikel 19 IVBPR (Vrijheid van meningsuiting) 1. Een ieder heeft het recht zonder inmenging een mening te koesteren. 2. Een ieder heeft het recht op vrijheid van meningsuiting; dit recht omvat mede de vrijheid inlichtingen en denkbeelden van welke aard ook te garen, te ontvangen en door te geven, ongeacht grenzen, hetzij mondeling, hetzij in geschreven of gedrukte vorm, in de vorm van kunst, of met behulp van andere media naar zijn keuze. 3. Aan de uitoefening van de in het tweede lid van dit artikel bedoelde rechten zijn bijzondere plichten en verantwoordelijkheden verbonden. Deze kan derhalve aan bepaalde beperkingen worden gebonden, doch alleen beperkingen die bij de wet worden voorzien en nodig zijn: (a) in het belang van de rechten of de goede naam van anderen; (b) in het belang van de nationale veiligheid of ter bescherming van de openbare orde, de volksgezondheid of de goede zeden. Artikel 10 EVRM (Vrijheid van meningsuiting) 1. Een ieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen. Dit artikel belet Staten niet radio-omroep-, bioscoop- of televisieondernemingen te onderwerpen aan een systeem van vergunningen. 2. Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen. Artikel 7 Gw (Vrijheid van meningsuiting) 1. Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. 2. De wet stelt regels omtrent radio en televisie. Er is geen voorafgaand toezicht op de inhoud van een radio- of televisieuitzending. 3. Voor het openbaren van gedachten of gevoelens door andere dan in de voorgaande leden genoemde middelen heeft niemand voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. De wet kan het geven van vertoningen toegankelijk voor personen jonger dan zestien jaar regelen ter bescherming van de goede zeden. 4. De voorgaande leden zijn niet van toepassing op het maken van handelsreclame. Artikel 18 IVBPR (Vrijheid van godsdienst) Artikel 9 EVRM (Vrijheid van godsdienst) Artikel 27 IVBPR (Respect voor minderheden) In Staten waar zich etnische, godsdienstige of linguïstische minderheden bevinden, mag aan personen die tot die minderheden behoren niet het recht worden ontzegd, in gemeenschap met de andere leden van hun groep, hun eigen cultuur te beleven, hun eigen godsdienst te belijden en in de praktijk toe te passen, of zich van hun eigen taal te bedienen. Artikel 26 IVBPR (Discriminatieverbod) Allen zijn gelijk voor de wet en hebben zonder discriminatie aanspraak op gelijke bescherming door de wet. In dit verband verbiedt de wet discriminatie van welke aard ook en garandeert een ieder gelijke en doelmatige bescherming tegen discriminatie op welke grond ook, zoals ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere status. Artikel 14 EVRM (Discriminatieverbod) Het genot van de rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, moet worden verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status. Artikel 20 IVBPR (Haatzaaiverbod) 1.Alle oorlogspropaganda wordt bij de wet verboden. 2.Het propageren van op nationale afkomst, ras of godsdienst gebaseerde haatgevoelens die aanzetten tot discriminatie, vijandigheid of geweld, wordt bij de wet verboden. Artikel 17 EVRM (Misbruik van recht) Geen der bepalingen van dit Verdrag mag worden uitgelegd als zou zij voor een Staat, een groep of een persoon een recht inhouden enige activiteit aan de dag te leggen of enige daad te verrichten met als doel de rechten of vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld teniet te doen of deze verdergaand te beperken dan bij dit Verdrag is voorzien. 10. Het toetsingskader Het hof ziet zich bij de beoordeling van de door Wilders gedane en door klagers gewraakte meningsuitingen geplaatst voor het klassieke probleem inzake de botsing van grondrechten: vrije meningsuiting & vrijheid van godsdienst. (..) de uitleg die door het EHRM aan artikel 10 EVRM is gegeven, de bescherming van de vrije meningsuiting op basis van artikel 7 Gw heeft overvleugeld. 11. Strekking van ’s hofs oordeel De hoofdofficier van justitie heeft terecht in zijn ambtsbericht van 17 november 2008 opgemerkt, dat de uitspraken van het EHRM vooral in de casuistische context van het te beoordelen nationale stelsel begrepen moeten worden, zodat wat bijvoorbeeld voor Turkije geldt niet automatisch ook gelding heeft voor Nederland. (..) Indien het hof derhalve tot een bevel strafvervolging zou besluiten, ligt daarin de verwachting besloten dat de in te stellen strafvervolging ook daadwerkelijk tot een veroordeling zal leiden, ook al berust het laatste oordeel daarover bij de strafrechter. 12. Inhoudelijke beoordeling 12.1.1 Beperking tot haatzaaien en groepsbelediging Hoewel in de klaagschriften over de overtreding van meerdere strafbare feiten beklag is gedaan, zal het hof de kern van de kritiek terugbrengen tot twee delicten: het zaaien van haat (art. 137d Sr) en de groepsbelediging (art. 137c Sr). 12.1.2 Haatzaaien (art. 137d Sr) Het hof is van oordeel dat de uitlatingen van Wilders, zoals opgesomd in paragraaf 4 van deze beschikking, in samenhang bezien geschikt zijn om haat te zaaien en aan te zetten tot discriminatie, niet alleen vanwege de inhoud maar ook vanwege de wijze van presenteren. Deze wijze van presenteren kenmerkt zich door eenzijdige, sterk generaliserende formuleringen met een radicale strekking, niet aflatende herhaling en een toenemende felheid waarmee de standpunten worden verwoord. Die wijze van presenteren, zeker in combinatie met de inhoud, tast de moslims in hun waardigheid wezenlijk aan. Een dergelijk ageren tegen het moslimgeloof en zijn aanhangers is naar het oordeel van het hof onnodig, omdat Wilders zijn opvattingen ook op andere wijze kan uitdragen. [Uitingen van GW] kennelijk erop gericht om bij de Nederlandse bevolking conflictueuze tweespalt te veroorzaken ten opzichte van de islamitische bevolkingsgroep, om de Nederlandse bevolking jegens die groep gelovigen tot discriminatie, intolerantie, minachting en vijandschap te bewegen alsmede om voor hen angst aan te jagen. Bepaalde uitdrukkingen zoals 'De grenzen dicht, geen islamieten meer Nederland in, veel moslims Nederland uit' - kunnen bezwaarlijk anders worden verstaan dan erop gericht om de gepropageerde ideeën tot uitvoering te brengen. (..) Ook andere uitlatingen stellen de moslims in een kwaad daglicht en spiegelen hen voor als een gevaar voor de Nederlandse samenleving. (..) nauwelijks verholen suggestie dat het moslimgeloof met moslimextremisme dient te worden gelijkgesteld, waarbij tevens een verband wordt gelegd tussen de toename van het aantal moslims in Nederland (elders aangeduid als een ‘tsunami van de islam’) en de toename van geweldsextremisme of van criminaliteit in het algemeen. (..) Het openbaar ministerie miskent ook dat voor de strafbaarheid van haatzaaien de politieke context niet bij voorbaat een verontschuldiging of rechtvaardiging kan opleveren. Het haatzaai-artikel in het Wetboek van Strafrecht had, blijkens zijn ontstaansgeschiedenis gedurende de jaren dertig van de vorige eeuw, uitgerekend een politieke achtergrond. Juist de scheldpartijen en haatcampagnes van politieke groeperingen tegen andersdenkenden (zoals de joden, de christenen en de kapitalisten) vormden de directe aanleiding om het haatzaaien tot strafbaar feit te verklaren teneinde, zoals de toenmalige regering dat uitdrukte, beletselen op te werpen tegen ‘de volksverruwing in woord en geschrift’ en tegen ‘de volksvergiftiging die haat en wrok in de harten zaait en dreigt gevaarlijke stemmingen in een deel van het volk teweeg te brengen[ix]’. 12.1.3 Groepsbelediging (art. 137c Sr) Naar het oordeel van het hof zijn in de reeks van Wilders’ meningsuitingen tal van uitspraken aan te wijzen die tevens beledigend zijn voor de groep mensen die tot de moslimgemeenschap behoren. Dat geldt in het bijzonder voor uitlatingen waarin de islam wordt omschreven als ‘de fascistische islam’ en de Koran wordt getypeerd als ‘het islamitische Mein Kampf’. (..) Uit de samenhang van de door Wilders gepresenteerde uitlatingen blijkt duidelijk dat hij niet alleen de groep moslimgelovigen op het oog heeft (en niet slechts de islam als godsdienst), maar ook dat diens uitlatingen, gewild of ongewild, wel degelijk tot gevolg hebben dat zij krenkend zijn voor moslims als maatschappelijke en religieuze groepering doordat zij als zodanig in diskrediet worden gebracht. De context van Wilders’ uitlatingen maakt zichtbaar dat hij voortdurend een relatie legt tussen de islam en de aanhangers van het islamgeloof (bijv: ‘Ik heb genoeg van de islam: geen moslimimmigrant er meer bij’, en: ‘Als moslims hier willen blijven, moeten ze de helft uit de Koran scheuren en weggooien’). Zelfs als Wilders die relatie niet zo nadrukkelijk heeft gelegd, kan uit het diskwalificeren en minachten van bepaalde eigenschappen, tradities of symbolen (Allah, Mohammed en de Koran) belediging van een groep mensen worden afgeleid. (..) Deze zogenaamde 'indirecte' belediging - een groep beledigen door middel van aantasting van bepaalde symbolen - is zowel door de Hoge Raad[xi] als het EHRM[xii] reeds uitdrukkelijk aanvaard. (..) 12.1.4 Publiek debat Dat Wilders - zoals hij zelf steeds heeft benadrukt - niet de intentie heeft (gehad) om met zijn meningsuitingen de mensen van de islam te beledigen of jegens hen haat te zaaien, is niet echt relevant. Voor beledigen en haatzaaien is de persoonlijke intentie niet allesbepalend. Maatstaf is of uit uiterlijke omstandigheden kan worden afgeleid dat de omstreden meningsuitingen het strafbare effect te weeg kunnen brengen. [ ?? ] Wilders’ gewraakte uitlatingen zijn naar het oordeel van het hof geschikt om het strafbare gevolg tot stand te brengen, los van de vraag of het oogmerk daarop was gericht en evenmin of het effect ook daadwerkelijk is gerealiseerd. Het gaat om de vraag of Wilders’ wist of had moeten begrijpen dat het risico op het intreden van het gevolg (het beledigen van een groep mensen en het zaaien van haat) zich zou kunnen voordoen. Het hof beantwoordt die vraag bevestigend. De beoordeling van de wijze waarop een publiek debat inhoudelijk wordt gevoerd, behoort op zichzelf niet tot het terrein van de rechter. Dat wordt anders als de bijdrage aan het publieke debat onnodig kwetsend is voor een groep gelovigen door hen in hun religieuze waardigheid aan te tasten, terwijl die bijdrage tevens aanzet tot haat, intolerantie, vijandschap en discriminatie. Dan komt het strafrecht in beeld. 12.2 Toelaatbaarheid van Wilders’ strafvervolging op grond van artikel 10 EVRM ‘plichten en verantwoordelijkheden’ die de uitoefening van de uitingsvrijheid met zich brengt (..) Die criteria zijn: de beperking moet bij de wet zijn voorzien (12.2.1.), in een democratische samenleving noodzakelijk zijn (12.2.2.) en een legitiem doel dienen, zoals het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten dan wel de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen (12.2.3). 12.2.1 Bij de wet voorzien (legaliteitsbeginsel) wetsartikelen (artt. 137c en 137d Sr) 12.2.2 In een democratische samenleving noodzakelijk (subsidiariteitsbeginsel) ‘pressing social need’, een dringende reden van maatschappelijk belang. (..) terughoudendheid en matiging (..) opgelegd aan de politicus (..) Als opgeroepen wordt tot haat, gebaseerd op intolerantie, ook religieuze intolerantie, kan men geen beroep doen op de bescherming van artikel 10 EVRM. (..) Het EHRM acht een volledige gelijkstelling van moslimgeloof met geweldsextremisme door een lid van een politieke partij, waaraan de conclusie wordt verbonden dat voor de islam in eigen land geen plaats is, zeker als dat ongenuanceerd gebeurt, verwerpelijk. Het hof sluit zich aan bij deze gedachtegang van het EHRM. Elke deelnemer aan het maatschappelijke debat, ook als het een politicus betreft, maakt misbruik van zijn recht op vrije meningsuiting, indien kan worden vastgesteld dat hij aanzet tot discriminatie en haat zaait jegens een bevolkingsgroep of een geloofsgemeenschap. Naar het oordeel van het hof is dat bij Wilders het geval, zoals hierboven is overwogen. 12.2.3 Met het oog op een legitiem doel (doelcriteria en proportionaliteitsbeginsel) de restrictie moet onder meer nodig zijn in het belang van de bescherming van de rechten van anderen. (..) In de thans aanhangige beklagzaak staat het recht om niet op godsdienstig gebied gekwetst en gediscrimineerd te worden, afgeleid van de vrijheid van godsdienst, centraal. (..) Niet ondenkbaar is een eventuele beperking van de uitingsvrijheid met het oog op ‘het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten’. 13. Wenselijkheid van een strafvervolging in het licht van het Nederlandse opportuniteitsbeginsel 13.1 Democratische waarden Het onderwerp van de immigratie- en integratiepolitiek vormt een belangrijk en ook zeer controversieel thema in het huidige maatschappelijke debat. (..) In het licht van waarden, zoals pluralisme, tolerantie en ruimdenkendheid, die essentieel zijn voor een democratische samenleving, mogen die meningen zelfs grieven, choqueren en verontrusten. (..) 13.2 Kern van de strafwaardigheid Het hof komt tot het slotoordeel dat Wilders met zijn haatzaaiende uitlatingen de zeer ruim te trekken grenzen van het politieke debat heeft overschreden. Het aanzetten tot haat en discriminatie jegens welke bevolkingsgroep dan ook, waardoor de ene groep tegen de andere kan worden opgezet, is in een democratische rechtsorde ontoelaatbaar. Het algemeen belang rechtvaardigt hier dat Wilders wegens haatzaaien strafrechtelijk wordt vervolgd. Ten aanzien van groepsbelediging maakt het hof een onderscheid. Hoewel de meeste van Wilders’ uitlatingen jegens de groep moslimgelovigen als strafbare belediging kunnen worden aangemerkt, acht het hof ten aanzien van die uitlatingen geen algemeen belang aanwezig dat tot een strafrechtelijke reactie noopt. (..) Het hof maakt evenwel een uitzondering voor beledigende uitlatingen waarbij vergelijkingen met het nazisme worden gemaakt (Mein Kampf). Die acht het hof dermate beledigend voor moslimgelovigen dat die uitlatingen binnen het bereik van het strafrecht kunnen worden gebracht. (..) De ontoelaatbaar geoordeelde meningsuitingen van Wilders werpen een zodanige blokkade in het maatschappelijk debat op dat moslimgelovigen feitelijk van deelname aan dat debat worden uitgesloten alleen vanwege hun geloof. Daarin ligt het strafrechtelijk verwijt aan Wilders, die met zijn harde en algemene diskwalificaties handelt in strijd met de grondvoorwaarde van een stabiele democratie. Wie een ander van de maatschappelijke discussie buitensluit, plaatst hem ook buiten de democratische rechtsorde. (..) Vernietiging van de rechten van anderen vanuit een ideologie, zoals de islamofobie, stroken niet met de waarden van het EVRM. (..) de uiterste normatieve grenzen aan te geven waarbinnen een maatschappelijk debat op aanvaardbare wijze kan plaatsvinden. 14. De beslissing Het hof beveelt de officier van justitie te Amsterdam om Wilders te dagvaarden ter zake van het aanzetten tot haat en discriminatie (artikel 137d Sr) alsmede ter zake van groepsbelediging voorzover het betreft diens vergelijkingen met het nazisme (artikel 137c Sr). dagvaarding Geert Wilders om te verschijnen op 20 januari 2010: GW wordt daarin beschuldigd van haat en/of discriminatie vanwege godsdienst [sc islam, moslims] en/of ras [sc sc niet-westerse allochtonen en/of Marokkanen] http://pvv.nl/images/PDF/dagvaarding%20NL.pdf opzettelijk beledigend uitgelaten over een groep mensen, te weten moslims, wegens hun godsdienst (art 137c Strafrecht) aangezet tot haat tegen mensen, te weten moslims, wegens hun godsdienst (art 137d Strafrecht) aangezet tot discriminatie, als bedoeld in artikel 90 quater van het Wetboek van Strafrecht, van mensen, te weten moslims, wegens hun godsdienst aangezet tot haat van mensen, te weten niet-westerse allochtonen en/of Marokkanen, wegens hun ras (art 137d Strafrecht) aangezet tot discriminatie van mensen, te weten niet-westerse allochtonen en/of Marokkanen, wegens hun ras (art 137d Strafrecht) WvSr Artikel 137c 1.Hij die zich in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, opzettelijk beledigend uitlaat over een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie. 2.Indien het feit wordt gepleegd door een persoon die daarvan een beroep of gewoonte maakt of door twee of meer verenigde personen wordt gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie opgelegd. Artikel 137d 1.Hij die in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, aanzet tot haat tegen of discriminatie van mensen of gewelddadig optreden tegen persoon of goed van mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun geslacht, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie. 2.Indien het feit wordt gepleegd door een persoon die daarvan een beroep of gewoonte maakt of door twee of meer verenigde personen wordt gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie opgelegd. Artikel 147 Met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie wordt gestraft: 1°. hij die zich in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, door smalende godslasteringen op voor godsdienstige gevoelens krenkende wijze uitlaat; 2°. hij die een bedienaar van de godsdienst in de geoorloofde waarneming van zijn bediening bespot; 3°. hij die voorwerpen aan een eredienst gewijd, waar en wanneer de uitoefening van die dienst geoorloofd is, beschimpt. Artikel 147a 1.Hij die een geschrift of afbeelding waarin uitlatingen voorkomen die, als smalende godslasteringen, voor godsdienstige gevoelens krenkend zijn, verspreidt, openlijk tentoonstelt of aanslaat of, om verspreid, openlijk tentoongesteld of aangeslagen te worden, in voorraad heeft, wordt, indien hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat in het geschrift of de afbeelding zodanige uitlatingen voorkomen, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee maanden of geldboete van de tweede categorie. 2.Met dezelfde straf wordt gestraft hij die, met gelijke wetenschap of een gelijke reden tot vermoeden, de inhoud van een zodanig geschrift openlijk ten gehore brengt. 3.Indien de schuldige een van de misdrijven omschreven in dit artikel in zijn beroep begaat en er, tijdens het plegen van het misdrijf, nog geen twee jaren zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling van de schuldige wegens een van deze misdrijven onherroepelijk is geworden, kan hij van de uitoefening van dat beroep worden ontzet. Grondwet Artikel 1 Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan. Artikel 7 1. Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. toelichting (WODC, 2006) Artikel 137c verbiedt om beledigende uitlatingen over een groep mensen te doen wegens hun godsdienst of levensovertuiging. De bepaling stamt uit 1934 en is indertijd in de wet opgenomen vooral met het doel om antisemitisme te bestrijden. Strafbaar was het zich beledigend uitlaten over een bevolkingsgroep. In zijn dissertatie zet Rosier (1997, p. 35-37 en p. 41-43) het verbod af tegen de bedreiging die het kan vormen voor de vrijheid van meningsuiting. Wie kennis neemt van de door Rosier besproken parlementaire behandeling, ontkomt niet aan het gevoel dat zozeer werd gewenst het verbod op rassendiscriminatie te regelen, dat daardoor weinig ruimte is geweest voor een fundamenteel debat over de reikwijdte van het discriminatieverbod wegens godsdienst. Daardoor is een bepaling tot stand gekomen die er, in de visie van Rosier, beter niet had kunnen komen. De ratio van artikel 137c (en volgende) Sr is nauw gelieerd aan de preambule en de artikelen van het Verdrag van New York. Problematisch is dat het verdrag (enkel) de bestrijding van rassendiscriminatie betrof en het verbod van godsdienstdiscriminatie daaraan door de (Nederlandse) wetgever is toegevoegd. Janssens en Nieuwenhuis (2005, p. 130-131) schrijven dat het na de wetswijziging van 1971 moeilijker is geworden de ratio legis vast te stellen. Literatuur en rechtspraak zijn eensluidend over de betekenis van ‘beledigend uitlaten’. Het moet gaan om het aantasten van de eigenwaarde of het in diskrediet brengen van de groep, omdát die van een bepaalde godsdienst is. Het leveren van kritiek op een bepaalde godsdienst is nadrukkelijk niet strafbaar. Politieke overtuigingen. Daarover oordeelde het Haagse hof in een arrest van 19 mei 2003 over de zogenaamde 'haatzaaiklacht' die de advocaten Spong en Hammerstein onder meer namens de LPF hadden ingediend. Het hof oordeelde dat onder 'levensovertuiging' in artikel 137c en artikel 137d Sr, anders dan de raadslieden hadden bepleit, niet ook politieke overtuiging mocht worden begrepen. Als grievende uitlatingen in direct verband staan met de geloofsovertuiging van verdachte en het diens bedoeling was om de mensheid te waarschuwen (bv een christen die uitdraagt dat homofilie een vieze en vuile zonde is), is niet beledigend in de zin van artikel 137c (Cleiren, 2006). Het grondwettelijke recht op vrijheid van meningsuiting staat voorop, maar vindt zijn grens in het disproportionele, onnodig grievende karakter van bepaalde uitlatingen. Het begrip beledigend moet wel restrictief worden geïnterpreteerd. De bedoeling van degene die zich kwetsend uitlaat over anderen zal centraal moeten staan (Cleiren, 2006). [ wat samenhangt met het ‘opzettelijk’ in 137c, vgl HOF Amsterdam 2009 ivm 137d: ‘Wilders’ gewraakte uitlatingen zijn naar het oordeel van het HOF geschikt om het strafbare gevolg [sc haat zaaien en discrimineren] tot stand te brengen, los van de vraag of het oogmerk daarop was gericht en evenmin of het effect ook daadwerkelijk is gerealiseerd. ’ ] Per gelijke wetswijziging werd in 1971 een nieuw artikel 137d Sr ingevoerd, kort gezegd (en voorzover hier toepasselijk) inhoudende het verbod op het aanzetten tot haat tegen of discriminatie van mensen wegens hun godsdienst. Ook artikel 137e Sr, met als strafbare gedraging het openbaar maken en verspreiding van tot haat aanzettende of discriminatoire uitlatingen, dateert uit 1971. Ten slotte wordt nog artikel 137f Sr genoemd, strafbaar stellend de deelname aan en het steunen van activiteiten gericht op discriminatie van mensen wegens hun godsdienst. Deze laatste bepaling dateert uit 1992. 137d ‘Aanzetten tot haat’ is door de wetgever in deze bepaling bedoeld als het (opzettelijk) agiteren, als het opruien door openlijk uiting geven aan vijandschap of grove minachting. ‘Haat’ dient hier taalkundig te worden uitgelegd. Dus, hier gaat het om het uiting geven aan een gevoel van diepe afkeer voor de godsdienst van een groep mensen, gepaard met het onverzoenlijke verlangen om die groep te (zien) verdelgen. Aan de (actuele) feitenrechtspraak ontleen ik nog een zaak uit 2002. Twee mariniers werd verweten dat zij moslims hadden beledigd door in het openbaar te roepen: "fuck Islam", "alle moslims moeten dood", "krijg de tering met alle moslims" en nog zo wat van die kreten. De militaire kamer van de Rechtbank Arnhem kwalificeerde de uitlatingen als godsdienstdiscriminatie en veroordeelde de inmiddels oneervol ontslagen militairen tot een leerstraf. Vergelijkbaar is een vonnis van de Bossche rechtbank uit 2005, waarin (onder meer) de uiting op een pamflet ‘Stop het gezwel dat Islam heet’ werd beoordeeld. De rechtbank vond dit een onnodig grievende uitlating, die op geen enkele wijze past in een maatschappelijke context, noch is gedaan vanuit een bepaalde geloofsovertuiging inzake een voor die geloofsovertuiging belangrijke morele kwestie. [ OBW zie echter HR 10 maart 2009 ] Opvallend is wel dat [ na aanklacht wb uitspraken over homoseksuelen ] de vrijgesproken personen (de dominee, de imam, de RPF-politicus en de gelovige politieman) allen een sterk godsdienstig motief hadden. De vrijheid van meningsuiting beschermt blijkbaar, zodra de uiting in een bepaalde context is gedaan. jurisprudentie 137c HR 10 maart 2009: belediging van de voor een groep heilige symbolen of opvattingen levert geen groepsbelediging ex. art. 137c Sr op. Wat betreft de Holocaust ontkenning laat de jurisprudentie zien dat dit strafbaar is voor zover dit gepaard gaat met voor joden beledigende uitlatingen. Joden worden dan direct beledigd, het gaat over henzelf als groep. Bij een belediging van Mohammed of de Koran gaat het daarentegen nooit direct over moslims zelf. Dit is een indirecte belediging en valt volgens de Hoge Raad dus niet onder art. 137c Sr. (..) Belediging homoseksuelen vanuit een geloofsovertuiging > vrijspraak. Belediging andersgelovigen vanuit een geloofsovertuiging > vrijspraak. Belediging van overtuigingen > vrijspraak. Belediging van een groep mensen ogv een groepskenmerk > Belediging van met name genoemde mensen ogv [..] > Leuk detail: GW's uitgebreide citaat uit het Nederlands Dagblad als onderdeel van de dagvaarding - blijkbaar ook strafwaardig geacht. Syp Wynia, Elsevier, 21 januari 2009 * Een markante reactie over de juridische facetten en aspecten van de beslissing van het Gerechtshof Amsterdam gaf Syp Wynia, commentator bij Elsevier op de website van dit opinieweekblad. Hij opperde dat Wilders al bij voorbaat schuldig bevonden leek. De redenen waarom men een strafzaak tegen Wilders wil laten aanspannen beloofden volgens hem "weinig goeds voor de vrijheid van meningsuiting". "Op zich is er wat te zeggen voor die rechtsgang (...). Het is namelijk heel onbevredigend, dat officieren van Justitie gaan beoordelen wat wel of niet toelaatbaar is in het publieke debat. Dat is des te meer onbevredigend, omdat het Openbaar Ministerie uiteindelijk onder de minister - een politicus, een collega van Wilders - valt (...). Het Amsterdamse Hof heeft zich niet beperkt tot een simpele overweging met de conclusie dat er reden is om Wilders voor de rechter de brengen. Nee, het Hof heeft de lagere - strafrechter meteen ook al opgezadeld met een torenhoge ‘schuldigverklaring’ en zelfs met een straftoemeting, want het Hof geeft aan dat als Wilders een niet te hoge straf krijgt dat vonnis niet in strijd zal zijn met het Europese recht. Het wonderlijke fenomeen doet zich nu voor dat waar eerst de Officier van Justitie op de stoel van de rechter ging zitten het Gerechtshof nu plaats neemt op de stoel van de Officier van Justitie. Zoals het eerst onbevredigend was dat het Openbaar Ministerie voor rechter speelde, zo is het nu onbevredigend dat er vragen te stellen zijn bij de aanstaande rechtsgang. Het besluit van het Amsterdamse Hof lijkt wel een requisitoir, en dat nog voordat het proces tegen Wilders begonnen is." verbod Koran - verbod Mein Kampf http://frontpage.fok.nl/nieuws/214774/1/1/50/kamer-tegen-opheffen-verbod-mein-kampf.html ministerie van justitie: Pak haatpropagande harder aan 19.12.2006 http://www.justitie.nl/actueel/persberichten/archief2006/Pak-haatpropaganda-harder-aan.aspx?cp=34&cs=579 mogelijke verruiming van de strafbaarstellingen voor belediging en godslastering het Europese Hof voor de Rechten van de Mens biedt ruimte om het bestaande vervolgingsbeleid te heroverwegen. Het Hof heeft namelijk meermalen beperkingen aan de uitingsvrijheid gesteld om godsdienstige gevoelens te kunnen beschermen. Een sterkere en meer gerichte handhaving is ook op haar plaats bij strafbare uitingen op het internet die momenteel nagenoeg ongemoeid worden gelaten. Voorbeelden daarvan zijn directe oproepen tot geweld en haat zaaien op extreemrechtse en radicale moslimsites. weblog Henk van der Kamp (VVD) http://www.vvdkamerleden.nl/main3.aspx?site=31&id=03000000000000 1 april 2008 De ministers Hirsch Ballin en Ter Horst waren volgens Wilders leugenaars en bedriegers en het gespreksverslag een vod. (..) Als Wilders loog, dan zou hij de Nederlandse bevolking hebben misleid en volkomen ten onrechte bewindslieden op grove wijze hebben beledigd. Dit politieke vandalisme mag dan niet zonder correctie blijven. Hoe kon het zover komen dat minder dan de helft van de bevolking aanneemt dat de bewindslieden de waarheid spreken tijdens een debat in het parlement? Wat is er met Wilders aan de hand en wie corrigeert hem? (Geplaatst op 13 apr. 2008) 12 apr. 2007 De PVV in de Kamer is in de praktijk nog steeds de groep Wilders. Ik ben vooral bezorgd over zijn uitlating dat hij liever geen moslims in de regering ziet. Daar is hij te gemakkelijk mee weg gekomen. Als een politicus zou opmerken liever geen joden in de regering te zien, was het land te klein. Wat Wilders zei, was net zo kwalijk. Feit is dat er in ons land een miljoen moslims leven. Als die niet volwaardig mee doen, hebben we straks geen samenleving meer. Het uitsluiten, diskwalificeren of in de marge duwen van een groep medeburgers leidt altijd tot ellende. Ratio Emotionis 25.12.2009 Een 23-jarige Nigeriaan, die naderhand heeft verklaard in Jemen een opleiding tot terrorist te hebben gekregen, doet een poging om een vliegtuig dat onderweg is van Amsterdam naar Detroit op te blazen. De poging wordt verijdeld, mee door het ingrijpen van de Nederlander Jasper Schuringa. Schuringa zei tegen CNN dat hij een knal hoorde. "Iemand begon te schreeuwen: vuur, vuur!" Vervolgens zag hij rook en merkte hij op dat de Nigeriaan niet bewoog. Toen begon hij te vermoeden dat er iets niet klopte. Hij sprong over de passagier naast hem en haastte zich naar de Nigeriaan. Die bleek zijn broek open te hebben en een brandend voorwerp tussen zijn benen te houden. "Ik pakte dat ding van hem af, probeerde het vuur met mijn handen te doven en gooide het weg." Schuringa trok de Nigeriaan van zijn plek af en sleurde hem mee naar de voorkant van het vliegtuig. De Nigeriaan leek als verdoofd. "Hij staarde in het niets." Schuringa liet weten dat hij vervolgens de man van zijn kleren heeft ontdaan om er zeker van te zijn dat hij niet nog meer explosieven bij zich droeg. Een cabinemedewerker hielp hem de Nigeriaan handboeien om te doen. 30.12.2009 Een 36-jarige Jordaniër, die banden zou hebben met Al-Qaida, blaast zich op in een CIA-kamp in Afganistan en brengt zo zeven medewerkers van de CIA en een Jordaanse inlichtingenofficier om het leven. 1.1.2010 Een 27-jarige Somaliër, die banden zou hebben met de Somalische terreurgroep Al-Shabaab, doet, gewapend met een hakbijl en mes, een poging tot moord op de Deense cartoonist Kurt Westergaard. De poging wordt verijdeld omdat Westergaard zich kan opsluiten in een beveiligde badcel. Rond de jaarwisseling 1.1.2010 In de wijk Terweijde in Culemborg ontstaan weer ongeregeldheden tussen Marokkaanse en Molukse jongeren, wat escaleert in wederzijdse aanvallen. Er worden de ruiten ingegooid bij een Marokkaans gezin en er wordt een herhaalde aanslag gedaan door een aantal Marokkaanse jongens met een auto op een Moluks-Nederlands meisje van 13 jaar (die een Marokkaanse jongen bij het in de brand steken van een auto had gezien en aangegeven) en een avond later gooit een groep van rond de 20 Marokkanen de ruiten in bij meerdere Molukse gezinnen, waarbij ook het eerder genoemde meisje aan het hoofd gewond raakt en opgenomen moet worden in het ziekenhuis. Haar moeder zegt dat ze nu op Wilders gaat stemmen. http://www.rtl.nl/components/actueel/rtlnieuws/miMedia/2010/week01/ma_0700_culemborg.avi_plain.xml http://home.nowlive.eu/nieuws/10185 http://www.rtl.nl/components/actueel/rtlnieuws/miMedia/2010/week01/Mon11.slachtoffer_culemborg.xml Fritsma, Brinkman en Wilders (allen PVV) stellen aan de minister voor WWI en de minister van BZK over de ongeregeldheden in Culemborg de volgende vragen: 1.) Hoe is het mogelijk dat tientallen Marokkaanse relschoppers al dagenlang een spoor van vernieling en geweld achterlaten in Culemborg? 2.) Hoe kan het dat de situatie na vier dagen nog steeds niet onder controle is? Deelt u de mening dat die bescherming nu te kort schiet en dat het tijd is voor een ‘zero tolerance’ aanpak in Culemborg? Zo neen, waarom niet? 3.) Hoeveel straatterroristen zijn er tot nu toe opgepakt en wat is er concreet gebeurd om het tuig uit te schakelen? Wat is de nationaliteit / wat zijn de nationaliteiten van de daders? 4.) Realiseert u zich dat de bewoners van Culemborg het geweld, de vernielingen, de bedreigingen en scheldpartijen spuugzat zijn en beschermd willen worden tegen het tuig? 5.) Klopt het dat de Marokkaanse straatterroristen de initiators zijn van het geweld en dat het geweld niet alleen tegen Molukkers is gericht? 6.) Erkent u dat het noodzakelijk is om het mogelijk te maken om straatterroristen met een dubbele nationaliteit uit Nederland te verwijderen? Zo neen, waarom niet? 7.) Wilt u nu eindelijk eens zorgen dat er keihard wordt opgetreden tegen deze straatterroristen of uw biezen pakken, opstappen en een ander die wel daadkrachtig wil optreden het werk laten doen? beantwoording van deze vragen: 2010Z00055 Antwoord van de Minister voor Wonen, Wijken en Integratie, de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van Justitie op vragen van de leden Fritsma, Brinkman en Wilders (allen PVV) over de ongeregeldheden in Culemborg. (Ingezonden op 5 januari 2010) Vraag 1 Hoe is het mogelijk dat tientallen Marokkaanse relschoppers al dagenlang een spoor van vernieling en geweld achterlaten in Culemborg? Antwoord 1 Het betreft hier complexe problematiek met diverse onderliggende oorzaken en achtergronden. Het gaat om een conflict tussen jongeren onderling dat voor een deel zijn oorsprong vindt in het verleden en daarnaast in het feit dat risicojongeren in een kansarme wijk voor overlast zorgen en weinig nodig hebben om met elkaar in conflict te komen. Het is niet aan te geven wie de initiator is geweest van het geweld. Vraag 2 Hoe kan het dat de situatie na vier dagen nog steeds niet onder controle is? Deelt u de mening dat de bescherming nu tekort schiet en dat het tijd is voor een ‘zero tolerance’ aanpak in Culemborg? Zo nee, waarom niet? Antwoord 2 Er is nu sprake van een zero-tolerance aanpak. Door intensieve maatregelen van de politie hebben er zich sinds zondagnacht geen bijzondere incidenten meer voorgedaan. In de wijk is een noodverordening (veiligheidsrisicogebied) afgekondigd waarmee de politie ruime bevoegdheid heeft tot identiteitscontrole en het voorkomen van samenscholingen. Van deze bevoegdheid is uitgebreid gebruik gemaakt. Diverse personen van buiten het gebied zijn gesommeerd Culemborg te verlaten. Er is, naast de lokale politie, permanent ME in de wijk aanwezig waardoor snel optreden gewaarborgd is. Verder worden straatcoaches ingezet en is een veiligheidshuis opgericht met daarbinnen een persoonsgerichte aanpak. Alle betrokken partijen in Culemborg hebben aangegeven gezamenlijk te willen werken aan het wegnemen van de achterliggende oorzaken van het conflict. Bovendien heeft op 7 januari een constructief gesprek tussen de burgemeester en vertegenwoordigers van beide partijen plaatsgevonden om tot verzoening te komen en herhaling tegen te gaan. Ook is op 7 januari op initiatief van bewoners een ‘verzoeningstocht’ in de wijk Terweijde georganiseerd, waarin ongeveer tweehonderd mensen hebben meegelopen. Vraag 3 Hoeveel straatterroristen zijn er tot nu toe opgepakt en wat is er concreet gebeurd om het tuig uit te schakelen? Wat zijn de nationaliteiten van de daders? Antwoord 3 Het gemeentebestuur is primair verantwoordelijk voor de aanpak van lokale problemen. Er is verhoogde inzet van politie en ME. Daarnaast is een arrestatieteam ingezet. Aan het opsporen van de daders van de diverse incidenten wordt veel opsporingscapaciteit besteed. Zo is er een apart rechercheteam geformeerd (ca 25 medewerkers) voor het aanhouden van daders van de verschillende incidenten. Er zijn sinds 1 januari in totaal 16 aanhoudingen verricht waarvan er 7 betrekking hadden op de verschillende geweldsincidenten en 9 op het handhaven van de noodverordening. Alle aangehouden verdachten hebben de Nederlandse nationaliteit Vraag 4 Realiseert u zich dat de bewoners van Culemborg het geweld, de vernielingen, de bedreigingen en scheldpartijen spuugzat zijn en dat zij beschermd willen worden tegen het tuig? Antwoord 4 Ja. De bewoners van Culemborg moeten beschermd worden tegen geweld en vernielingen. Bewoners van Terweijde wonen al jaren naast elkaar, kinderen gaan samen naar school, ouders coachen de voetbalteams waarin hun kinderen samen spelen. Dat mag niet kapotgemaakt worden door een aantal raddraaiers. Daarom moeten misdragingen hard worden gestraft, maar moeten groepen ook met elkaar in gesprek gaan om de draad weer op te pakken. De gemeente en de betrokken gemeenschappen werken hier momenteel hard aan. Vraag 5 Is het waar dat de Marokkaanse straatterroristen de initiators zijn van het geweld en dat het geweld niet alleen tegen Molukkers is gericht? Antwoord 5 De achterliggende oorzaak van de problematiek is complex en ligt met name in de overlast en criminaliteit die wordt veroorzaakt door verschillende groepen jongeren. Het is niet aan te geven wie de initiator is geweest van het geweld. Vraag 6 Erkent u dat het noodzakelijk is om het mogelijk te maken om straatterroristen met een dubbele nationaliteit uit Nederland te verwijderen? Zo nee, waarom niet? Antwoord 6 De Rijkswet op het Nederlanderschap bevat geen bepaling op grond waarvan intrekking van het Nederlanderschap wegens de hier aan de orde zijnde criminele feiten mogelijk is. Invoering van een dergelijke bepaling wordt evenmin overwogen. Niet alleen laat het Europees Verdrag inzake nationaliteit (Trb. 1998, 10) dat niet toe, maar bovenal is dit kabinet geen voorstander van het "denaturaliseren" zodra een burger zich onwelgevallig gedraagt. Voor vreemdelingen die rechtmatig in Nederland verblijven, geldt dat het verblijf kan worden beëindigd om redenen van openbare orde. Hierbij wordt de duur van het verblijf van de vreemdeling op grond van een verblijfsvergunning gerelateerd aan de ernst van de inbreuk op de openbare orde (de zogenaamde glijdende schaal). Uw Kamer is 30 oktober jl. geïnformeerd over nieuwe maatregelen die het kabinet treft om een bijdrage te leveren aan het bestrijden van criminaliteit onder vreemdelingen in Nederland. De problematiek in Culemborg heeft geen relatie met het hebben van een dubbele nationaliteit. Vraag 7 Wilt u nu eindelijk eens zorgen dat er keihard wordt opgetreden tegen deze staatterroristen of uw biezen pakken, opstappen en een ander die wel daadkrachtig wil optreden het werk laten doen? Antwoord 7 De lokale driehoek heeft krachtdadig opgetreden om de rust terug te laten keren (zie vraag 2 en 3). 5.1.2010 Trouw geeft iets van de voorgeschiedenis van de ongeregeldheden in Culemborg weer: 3.9.2004 De gemeente kondigt een harde aanpak van probleemjongeren aan. Een groep Marokkaanse jongens zorgt er voor flinke overlast. 20.6.2005 De politie pakt 26 jongeren op, mee op verdeking van intimidatie, overlast en onrust. 8.9.2009 Onrust tussen jongeren na ruzie over een beschadigde auto. Straten afgesloten. 13.9.2009 Honderden jongeren gaan met elkaar op de vuist. ME haalt ze uit elkaar. 14.9.2009 Gemeente brengt rivaliserende jongerengroepen met elkaar in gesprek. 6.10.2009 Straat coaches spreken jongeren aan op hun gedrag en brengen wijkbewoners met elkaar in contact. Na de ongeregeldheden rond 1.1.2010: 5.10.2010 Wilders wil een debat in de Tweede Kamer over de ongeregeldheden in Culemborg 6.10.2010 Forum-directeur Sadik Harchaoui vindt dat Den Haag zich voorlopig niet moet bemoeien met de geëscaleerde situatie. Eerst zijn de burgemeester van Culemborg, justitie en de politie aan zet. Volgens Harchaoui moeten de inwoners van Terweijde de tijd en de rust krijgen om het conflict op te lossen. 6.1.2010 De bewoners van de wijk gaan met elkaar in gesprek en organiseren een ‘verzoeningstocht’ om duidelijk te maken dat hier geen sprake is van een etnisch conflict. Ze nemen zich voor om de gemoederen te laten bedaren, te zoeken naar oplossingen op korte en lange termijn en om daarbij ook de ‘etters’ uit beide groepen aan te pakken 6.1.2010 http://www.nu.nl/buitenland/2156098/taliban-blazen-zichzelf-per-ongeluk.html Taliban blazen zichzelf per ongeluk op KABUL - Veertien militanten van de Taliban zijn omgekomen in Afghanistan toen de explosieven die ze in een minibus plaatsten, te vroeg afgingen. Dat meldden functionarissen dinsdag. De opstandelingen bereidden een terroristische aanslag voor in de provincie Kunduz. ''De bom explodeerde toen ze de bom in het voertuig in elkaar aan het knutselen waren'', aldus de politiechef van de Noord-Afghaanse provincie. Gouverneur Mohammad Omar van Kunduz bevestigde het incident maandagavond. De provincie die lang als relatief veilig gold, is steeds vaker het doelwit van geweld door de radicaalislamitische Taliban. 7.1.2010 Bij een zelfmoordaanslag in de Russische deelrepubliek Dagestan vielen gisteren minstens zeven doden. Het geweld neemt toe in deze regio, waarook Tsjetsjenië ligt, president Ramzan Kadyrov hard op weg is van zijn land een ‘islamitisch staatje te maken, met invoering van de sharia. In Tsjetsjenië neemt ook het geweld toe tegen burgers die zich niet religieus genoeg tonen. (Trouw) 8.1.2010 Frankrijk zet de 29e radicale imam het land uit naar Egypte, zijn land van herkomst. De man zou moskeegangers hebben opgeroepen om tegen het Westen te strijden. Ali Ibrahim al-Sudani is de 29e uitgewezen imam sinds 2001. Frankrijk heeft de laatste jaren veel rellen meegemaakt in de banlieues, de troosteloze buitenwijken van Parijs. Bij die rellen waren vooral Noord-Afrikaanse jongeren betrokken. De Franse regering probeert nieuwe rellen te voorkomen, ook door vermeende onruststokers het land uit te zetten. (Trouw) 9.1.2010 Religieuze ordetroepen, die het zuiden van Somalië beheersen, hebben tientallen mannen aangehouden omdat ze zich hadden geschoren. De radicaal-islamitische machthebbers van Al-Shabaab hebben vorige maand bepaald dat alle mannen voortaan hun baard moeten laten staan. (..) De arrestanten zijn vooral studenten. Ze worden zeker drie dagen vastgehouden wegens het ‘schenden van de islamitische cultuur’. (Trouw) 11.1.2010 Een kloosterschool en de zesde kerk op rij zijn gisteren in vlammen opgegaan in Maleisië. Moslims uiten door het in brand steken van christelijke gebouwen hun woede over het toestaan van het gebruik van de term ‘Allah’ door christenen. (..) Het antichristelijke protest begon bij moskeeën, nadat een katholieke krant van de rechter als godsaanduiding ‘Allah’ mocht gebruiken. (Trouw) [ ‘Allah’ zou een Arabisch woord zijn dat dateert van voor de islam – de term ‘Allah’ wordt al heel lang in Maleisië, maar ook in Egypte, Syrië en Indonesië door niet-islamieten gebruikt.] [ Etnische Maleiers moeten volgens de grondwet moslim zijn. ] [ In Maleisië is vorige zomer een vrouw in sharia-rechtspraak veroordeeld tot stokslagen voor het drinken van een biertje. ] 12.1.2010 De Britse regering heeft besloten de radicale islamistische groepering Islam4UK te verbieden. Het verbod gaat donderdag in. Dat heeft minister van binnenlandse zaken Alan Johnson dinsdag bekendgemaakt. Islam4UK was van plan een demonstratieve herdenking voor de burgerslachtoffers van de oorlog in Afghanistan te houden in het stadje Wootton Bassett. In Wootton Bassett komen de stoffelijke overschotten aan van Britse militairen die in Afghanistan zijn omgekomen. De aankomst van de lijkkisten gaat altijd gepaard met een korte plechtigheid. Het bestuur van de stad was ontzet over het plan van Islam4UK om er een protestmars te houden. De geestelijk leider van Islam4UK, de in Libanon woonachtige Omar Bakri Mohamed, betuigde zich razend over het verbod, dat naar zijn oordeel vooral de jongere leden van de groepering richting gewelddadige actie kan drijven. (Trouw) 13.1.2010 Na gewelddadige acties tegen christelijke gebouwen in Egypte en Maleisië, werd gisteren een protestantse kerk in Algerije aangevallen. Een groep moslims in Tizi Ouzou, op 60 kilometer van de hoofdstad Algiers, stak bijbels en delen van het interieur in brand. Er bestaat officieel godsdienstvrijheid in Algerije, maar volgens de autoriteiten in Tizi Ouzou mag deze kerk niet als kerk gebruikt worden. Bovendien zouden de protestanten zich schuldig maken aan proselitisme en dat is in Algerije, zoals in alle moslimlanden, verboden. (Trouw) 14.1.2010 Geert Wilders is woensdag na de behandeling van zijn bezwaar tegen vervolging aangeslagen uit de rechtbank in Amsterdam gekomen. „Het is echt politieke vervolging", aldus de politicus. „Het OM gaat verder dan waartoe het hof heeft besloten in de dagvaarding. De vrijheid van meningsuiting staat onder druk. Het rechtssysteem in Noord-Korea is nog beter dan dat in Nederland." (Telegraaf) De rechtbank van Amsterdam heeft het bezwaar van Geert Wilders tegen zijn vervolging afgewezen. (Trouw) 16.1.2010 NAIROBI - Zeker vijf mensen zijn in de Keniaanse hoofdstad Nairobi om het leven gekomen tijdens ongeregeldheden die uitbraken tijdens een protest van aanhangers van 'haat-imam' Abdullah al-Faisal. Dat meldden de BBC en twee toonaangevende kranten in Kenia. De geestelijke, die in het verleden al vier jaar in een Britse gevangenis verbleef wegens oproepen tot moord op westerlingen, joden en hindoes, zit sinds kort achter de tralies in Kenia. De autoriteiten in dat land willen de imam uitzetten vanwege zijn ''terroristische verleden''. Een groep moslims ging na het vrijdaggebed de straat op om te demonstreren voor de vrijlating van al-Faisal. Ze wilden een protestmars houden in het centrum van Nairobi, maar werden op een bepaald moment door de oproerpolitie tegengehouden. Rellen braken uit, waarbij omstanders de politie te hulp schoten. (nu.nl) 18.1.2010 TORONTO - De man die een Canadese cel van terreurnetwerk al-Qaeda zou leiden, is maandag veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. Zakaria Amara (24) wilde volgens de rechters een aanslag plegen op een aantal plekken in de stad Toronto, waaronder de aandelenbeurs en een legerbasis. Dat heeft het Canadese Openbaar Ministerie bekendgemaakt. Het is de zwaarste straf die is opgelegd onder de antiterreurwetgeving die Canada na de aanslagen van 11 september 2001 invoerde. (nu.nl) 19.1.2010 Boze moslimjongeren hebben in de stad Jos, in het noorden van Nigeria, een kerk vol gelovigen in brand gestoken en daarmee vechtpartijen ontketend waarbij zeker tien doden en 69 gewonden zijn gevallen. Ongeveer vijfduizend mensen raakten dakloos omdat hun huis door relschoppers in brand was gestoken. In het noorden van Nigeria woont een groot deel van de Nigeriaanse moslims. In het verleden is de stad vaker het toneel geweest van religieus geweld dat geregeld ontvlamt door plaatselijke geschillen. (Trouw) 20.1.2010 Zeker tweehonderd doden en achthonderd gewonden vielen er de afgelopen dagen bij religieus geweld in centraal Nigeria. De onlusten begonnen toen boze moslims zondag om nog onbekende redenen een volole katholieke kerk in brand staken. Hierna bestreden groepen jonge moslims en christenen elkaar met kapmessen en vuurwapens. Moskeeën, kerken en duizenden huizen gingen in vlammen op. In 2000 werd de sharia ingevoerd in een aantal noordelijke staten, waardoor de christelijke minderheid zich bedreigd voelde. Die vrees is niet ongegrond: veel christelijke Igbo’s zijn bijvoorbeeld door moslims beroofd van hun winkel of een andere economische activiteit. Veel van hen zijn vertrokken naar veiliger oorden. In Jos kwamen vorig jaar nog meer dan driehonder mensen om, in 2004 zeker zevenhonderd en in 2001 vielen meer dan duizend doden. De aanleiding voor een slachtpartij is meestal bijzonder klein. Bij de ongeregeldheden in Jos van 2001 bleek een christelijke vrouw die bij de centrale moskee langs een verkeersbarricade probeerde te komen, de lont in het kruidvat. Zij werd ervan beschuldigd dat zij doelbewust het vrijdaggebed wlde verstoren. (Trouw) JOS - De rellen tussen christenen en moslims in de Nigeriaanse stad Jos hebben veel meer mensen het leven gekost dan tot nog toe werd aangenomen. Een moskeebestuurder en een mensenrechtenorganisatie meldden woensdag dat zeker 464 mensen sinds zondag stierven door geweld. (nu.nl) 22.1.2010 De Somalische islamitische terreurgroep Shabaab heeft gedreigd om buurland Kenia binnen te vallen. Dit hangt samen met de arrestatie en uitzetting van de radicale Jamaicaanse imam Abdullah al-Faisal, die eerder uit andere Afrikaanse landen was verjaagd. Ook in Engeland heeft hij vier jaren vastgezeten na een veroordeling wegens aanzetten tot moord en haatzaaien. Hij had volgelingen opgeroepen Amerikanen, hindoes en joden te vermoorden en preekte in een moskee die door veroordeelde terroristen werd bezocht. (Trouw) 23.1.2010 De burgemeester van Zaltbommel staat onder politiebewaking na een bedreiging door Marokkaanse jongeren. Dinsdagavond zocht de politie in het Marokkaanse buurthuis Al Amal naar twee winkeldieven. Jongeren vielen de agenten toen lastig. Dat leidde tot ontruiming van het buurthuis, waarna buiten een gespannen sfeer ontstond waarbij auto’s werden vernield. Ook donderdag was er sprake van overlast door jongeren. (Trouw) De Parijse imam Hassen Chalghoumi geeft steun aan de voorstanders van een boerka-verbod. Hij noemde de boerka in de krant Le Parisien een onding. "Wie er een wil dragen, gaat maar naar Saoedi-Arabië." Chalghoumi, die eerder doodsbedreigingen kreeg na een oproep tot een dialoog met Joden, trekt zich hiermee niets aan van het standpunt van de islamitische koepelorganisatie Conseil Français du Culte Musulman, die vindt dat een wet die de boerka verbiedt islamofobie zou bevorderen. (Trouw) 25.1.2010 Bin Laden eigent zich de mislukte aanslag op Eerste Kerstdag in een korte boodschap toe: ‘Amerika zal nooit dromen over vrede tot wij die hebben in Palestina [ vreemd omdat Bin Laden zich eerder zelden specifiek op het Israëlisch-Palestijnse conflict richtte ]. (Trouw) President Moebarak haalt uit naar radicale islamitische stromingen in Egypte en omringende landen: ‘We zijn getuigen van een uitbreiding van instabiliteit in de wereld van Afganistan naar Pakistan en in Iran en Irak en Jemen en Somalië en Soedan.’ ‘Er is een groeiende kring van aanhangers van het salafisme (ultra-orthodoxe islamitische stroming) die mensen tot ongelovigen bestempelen, onschuldigen terroriseren en de sociale stablititeit van hun land verstoren’. Moebarak verdedigde ook de bouw van een ondergronds hek bij de grens met Gaza: ‘We doen dat om onze natie te beschermen tegen terreuraanvallen.’ (Trouw) 27.1.2010 Tachtig indringers belaagden imam Hassen Chalghoumi, die voor een boerka-verbod en voor betere verhoudingen tussen moslims en joden is, in zijn Parijse moskee. De indringers maakten zich meester van de microfoon en noemden de imam een misbaksel en een afvallige. ‘We zullen met hem afrekenen, die jodenimam’, zeiden ze. Chalghoumi is voorzitter van de in 2009 opgerichte Conferentie van Imams, die zich inzet voorinterreligieuze dialoog en een ‘open islam’. Vorig jaar is de auto van Chalghoumi vernield. Ook kreeg hij bedreigingen via zijn mobiele telefoon en werd hij op straat lastiggevallen. Drie jaar geleden werden vernielingen aangebracht aan zijn huis, nadat hij moslims had opgeroepen de nagedachtenis van de in de holocaust vermoorde joden te eren. (Trouw) 28.1.2010 Wetenschappers: PVV is nieuw rechts-radicaal. De PVV komt niet voort uit traditioneel extreem-rechts, maar in de opvattingen van de partij zijn wel rechts-radicale elementen terug te vinden. Opvattingen van de PVV over islamisering en niet-westerse allochtonen lijken een discriminitoir karakter te hebben. De organisatie van de partij is niet democratisch, maar autoritair. Dit staat in het onderzoek van vier Tilburgse wetenschappers naar radicalisering en polarisering. PVV-leider Wilders reageerde al eerder woedend op een uitgelekt concept van het onderzoek, verricht in opdracht van Binnenlandse Zaken. (Trouw). 28.1.2010 Twee SP-kamerleden en Gretta Duisenberg worden niet vervolgd voor het roepen van ‘intifade, Palestina vrij’. Zij riepen deze leus tijdens een demonstratie tegen de inval van Israël in de Gazastrook, vorig jaar. Een groepje andere demonstranten riep bovendien (hoorbaar in een filmpje van het protest): ‘Hamas, Hamas, Joden aan het gas’. De intifada-leus is volgens het OM niet strafbaar omdat het aanzetten tot haat strafbaar is als de tekst betrekking heeft op een bepaalde groep mensen wegens hun geloof of ras. In dit geval zou de kreet gericht zijn tegen Joden, maar volgens het OM slaat de leus niet op Joden in het algemeen, hooguit op de staat Israël. Bovendien kan met ‘intifada’ ook een geweldloze opstand worden bedoeld. Het roepen van ‘Hamas, Hamas, Joden aan het gas’ is wel strafbaar. Maar justitie heeft niet kunnen vaststellen welke demonstranten dat riepen. Het OM vindt dat het drietal niet verantwoordelijk is voor wat andere demonstranten riepen. (Trouw) 1.2.2010 Een progressieve imam heeft in de Parijse voorstad Drancy zijn moskee afgelopen vrijdag onder begeleiding van de politie moeten verlaten. Boze gelovigen eisten het vertrek van de ‘verrader, ongelovige en jodenimam’ Hassen Chalghoumi. Zijn tegenstanders vinden het een schande dat hij zich uitspreekt voor een verbod op boerka’s en een dialoog met Joden. Daarbij zou Chalghoumi hen ten onrechte beschuldigen van intimidatie vorige week maandag. De imam zegt dat hij met de dood is bedreigd. (Trouw) 3.2.2010 De Somalische extremistische strijdgroep Al-Shabab heeft gezegd dat het de djihad van de Hoorn van Afrika zal verbinden aan de dhihad geleid door Al-Kaida. Al-Shabab is versterkt door enkele honderden strijders uit bv Pakistan en Afganistan. Zij hebben de internationale djihad als doel. Dat Al-Shabab nu zegt onderdeel te zijn van Al-Kaida zou kunnen betekenen dat de buitenlandse strijders aan terrein winnen. Zeker 258 burgers zijn in januari in Somalië gedood door gevechten tussen het leger van de overgangsregering, Al-Shabab en Hizbul Islam, een andere islamitische rebellenbeweging. (Trouw) 6.2.2010 PARIJS - Twee mannen gekleed in een boerka, de alles verhullende islamitische vrouwensluier, hebben zaterdag een postkantoor in een voorstad van Parijs overvallen. Ze gingen er met een buit van 4500 euro vandoor, meldden Franse media op gezag van justitiële bronnen. Een medewerker van het postkantoor in Athis-Mons opende aan het einde van de ochtend de deur van het filiaal in de veronderstelling dat hij met twee streng islamitische vrouwen te maken had. Eenmaal binnen ontpopten de 'vrouwen' zich als twee mannelijke overvallers, die medewerkers en klanten met een vuurwapen bedreigden en er vervolgens met de buit vandoor gingen. (nu.nl) 8.2.2010 Volgens een open brief van vijf korankenners verkondigt de Koran geen totale oorlog, maar een afschrikkingsstrategie, zoals de Navo die toepaste in de Koude oorlog tegen het Sovjetblok. Een citaat uit het Koranhoofdstuk 47 (‘Waneer gij een ontmoeting hebt met ongelovigen, houwt dan in op hun nekken, en wanneer gij onder hen een bloedbad hebt aangericht, bindt hen dan in boeien’ vert. Kramers) zou betrekking hebben op oorlog en geen rechtvaardiging zijn voor geweld tegen burgers in vredestijd. Ook kan een religie als zodanig niet gewelddadig zijn. Een religie gewelddadig noemen, is volgens de briefschrijvers een suggestieve manier om een groep mensen, bepaalde gelovigen, gewelddadig te noemen. (Trouw) 20.2.2010 Willem Breedveld bespreekt het boek van P.H.A. Frissen, Gevaar verplicht, Over de noodzaak van aristocratische politiek. Daarin staat een hoofdstuk dat gewijd is aan de opkomst van het ‘rauwe populisme’ van Geert Wilders dat door Breedveld kort wordt samengevat als anti-politiek, anti-democratisch en uiteindelijk (maar zover is het nog niet) totalitair. Populisten gebruiken het parlement als tribune [om kritiek te spuien tav de vermeende krachteloosheid van democratische pluriformiteit] en niet als podium voor het debat. Wilders is niet homofoob of anti-emancipatoir en al evenmin antisemitisch, maar het is wel intolerant in zijn verdediging van de superieur geachte westerse cultuur. Volgens Frissen komen we via een verbod op de koran, keihard optreden tegen Marokkaanse [straatterreur-]jongeren, loverboys en jihadisten ‘met hetzelfde gemak uit bij de deportatie van tientallen miljoenen moslims van wie feitelijke assimilatie en geloofsafval wordt geëist’. Wilders’ populisme zou twee groepen vijanden hebben: de intellectuele, economische en politieke elite aan de bovenkant, die zelf de macht in handen willen houden, en de criminals, foreigners, profiters and perverts aan de onderkant. Als het volk [als mythe van een culturele, etnische, historische eenheid] het wil, zal Wilders daar genadeloos mee afrekenen. ‘Het volk’ staat echter normaliter bol van botsende belangen en rivaliserende inzichten. De politiek vertegenwoordigt een grote macht met haar monopolie op geweldsuitoefening en belastingheffing. Wee het land waar die macht in handen valt van totalitaire denkers. Alleen elkaar beconcurrerende elites, die ook nog kans zien het volk in zijn verdeeldheid te vertegenwoordigen, kunnen er voor zorgen dat die plek van de macht leeg blijft. (Trouw) 25.2.2010 Kolonel Kadafi van Libië roept op tot een djihad, een heilige oorlog, tegen Zwitserland. Vanwege het recente Zwitserse verbod op de bouw van minaretten noemde Kadafi Zwitserland ‘ongelovig’. Kadfi: ‘Elke moslim, waar ook ter wereld, die zaken doet met Zwitserland, is een afvallige en is tegen Mohamed, God en de Koran.’ Aanleiding is (ook) een veroordeling in Zwitserland in 2008 van de zoon van Kadafi, Hanibal, voor mishandeling van dienstpersoneel. (Trouw) 25.2.2010 De PVV wil het dragen van hoofddoekjes verbieden bij alle instellingen en verenigingen die gemeentelijke subsidie ontvangen. Dat wordt als het aan PVV-leider Geert Wilders ligt een belangrijke inzet bij collegeonderhandelingen in Den Haag en Almere, de twee steden waar zijn partij woensdag meedoet aan de gemeenteraadsverkiezingen. Het verbod zou overigens niet gelden voor andere zichtbare religieuze symbolen als keppeltjes of kruisjes. ''Die horen bij de Nederlandse cultuur'', aldus Wilders. (nu.nl) 26.2.2010 Een op de drie ambtenaren overweegt op te stappen als hij onder een PVV-bestuurder moet werken. Zes op de tien heeft er problemen mee voor de PVV te werken. Dat concludeert het blad voor bestuurders en ambtenaren Binnenlands Bestuur uit een enquête onder ambtenaren van het Rijk, provincies en gemeenten. (nu.nl) [ Dat combineert goed met voornemen van de PVV om het aantal ambtenaren in te krimpen. Vergelijk http://www.republic.nl/netwerk/netwerknieuws/2010/01/-De-overheid-heeft-een-onacceptabel-grote-overhead.htm waar in een interview op 7.1.2010 met de PPVer Hero Brinkman over het bezuinigen op ambtenaren het volgende staat: Een andere bezuinigingspost is het aantal ambtenaren bij rijk, provincies, gemeenten en waterschappen. Met hoeveel mensen kan het minder? 'Dat is in onze tegenbegroting niet berekend. De overhead, zeg maar de ambtenaren die niet in de uitvoering zitten, moet in ieder geval onder de twintig procent blijven. Hij komt nu soms boven de dertig procent uit.' Maar operaties om tot minder ambtenaren te komen, hebben nog nooit iets uitgehaald. Waarom zou de PVV dat wel lukken? Bij het rijk zijn er deze kabinetsperiode zesduizend ambtenaren bijgekomen, terwijl het streven is het ambtenarenbestand met 12.000 te verminderen. 'Het beleid is faliekant mislukt.’ ‘Ik ben voor een andere aanpak om het aantal ambtenaren te beperken. De minister moet met gemeenten en provincies afspraken maken over aantallen. Als die niet gehaald worden, moet het rijk hen een bestuurlijke aanwijzing geven. Natuurlijk kan het rijk geen aanwijzing aan zichzelf geven. Als het aantal rijksambtenaren niet voldoende vermindert, is de Tweede Kamer aan zet.’ ] 9.03.2010 Bij sectarisch geweld zijn in Centraal-Nigeria mogelijk meer dan 500 mensen gedood bij een nachtelijke aanval van islamitische Fulani op een aantal dorpen waar christelijke Berom wonen. Bij de doden waren mannen, vrouwen en kinderen, de jongste vier dagen oud. Bij sommigen waren handen of voeten afgesneden, een jong slachtoffer leek gescalpeerd. Op de achtergrond speelt ook stammenstrijd over bestaansmiddelen tussen akkerbouwers (Berom) en nomadische veehouders en handelaren (Fulani en Hausa). 10.3.2010 De Ierse politie heeft in Waterford en Cork zeven personen van voornamelijk Jemenitische en Marokkaanse komaf opgepakt die van plan waren om de Zweedse cartoonist Lars Vilks te vermoorden. Door Vilks in 2007 gemaakte cartoons leidden tot woede in de islamitische wereld, waarna de cartoonist meerdere malen met de dood werd bedreigd. De terreur-organisatie Al-Kaida loofde een beloning uit van 100.000 dollar voor degene die de cartoonist zou doden. terug naar de schets Notes OBW Is het mogelijk om wettig en overtuigend te bewijzen dat GW intimidatie en bedreigingen heeft geuit dan wel (in)direct oproept tot haat en/of geweld gericht tegen in principe alle mensen die de islamitische godsdienst aanhangen (‘de moslims’ als groep) en tegen in principe alle Marokkanen (‘de Marokkanen’ als groep)? Een krasse uitspraak is bv 'De grenzen dicht, geen islamieten meer Nederland in, veel moslims Nederland uit.’ De context van deze uitspraak is een interview met Geert Wilders in De Pers, 13 februari 2007 Uit dit interview: Maar over vier jaar moet u toch kunnen laten zien dat u iets tegen de islam heeft gedaan? ‘We willen genoeg. De grenzen dicht, geen islamieten meer Nederland in, veel moslims Nederland uit, denaturalisatie van islamitische criminelen…’ (..) Op enig moment moet weerzin tegen de islam het hebben gewonnen van liefde voor dat gebied. ‘Ik heb nog steeds alleen iets tegen de religie, niet tegen de mensen. Maar ik ontdekte dat een constante in die regio is dat het regime, de religie, de geestelijkheid van geen kanten deugen. Ik zag wat er gebeurde, ik zág de dreiging. (..) Ik weet ook wel dat er over een paar decennia nog geen islamitische meerderheid is. Maar het groeit wel. Met agressieve elementen, imperialisme. Loop over straat en zie waar het toe leidt. Je voelt dat je niet meer in je eigen land leeft. Er is een strijd gaande en we moeten ons verdedigen. Er zijn straks meer moskeeën dan kerken! ‘ Als moslims hier willen blijven, moeten ze de helft uit de Koran scheuren en weggooien. Ze moeten niet luisteren naar de imam. Ik heb de Koran gelezen. Niet in één keer, maar wel helemaal. En ik weet dat er genoeg verschrikkelijke dingen in staan. Als moslims wel assimileren, dan zijn het ook volwaardige burgers, geen millimeter minder waard dan jij of ik.’ In de Tweede Kamer in de context van een debat over islamitisch activisme op 6 september 2007 zegt Wilders onder meer: "Voorzitter, er zijn zeker gematigde mensen die zichzelf moslim noemen en onze wetten respecteren. De Partij voor de Vrijheid heeft natuurlijk niets tegen hen, maar de Koran heeft dat wel. (..)Voorzitter, er bestaat geen gematigde islam. Zoals de Turkse premier Erdogan onlangs letterlijk zei: "There is no moderate or immoderate islam. Islam is islam and that’s it". (..) Naast verovering, voorzitter, is de islam ook uit op het installeren van een totaal andere maatschappelijke orde en rechtssysteem, de Sharia. Daarmee is de islam behalve een religie voor honderden miljoenen moslims vooral ook een politieke ideologie (politiek/rechtsstaat/islamitische normen en waarden etc). De islam is een ideologie die geen respect heeft voor anderen, niet voor christenen, niet voor joden, niet voor ongelovigen en niet voor afvalligen. De islam wil overheersen, onderwerpen, doden en oorlog voeren. (..) De minister-president zei in Indonesië dat de islam geen gevaar is. Minister Donner vindt dat de sharia rustig in Nederland ingevoerd kan worden als de meerderheid dat wil. Minister Vogelaar kwekt dat Nederland in de toekomst een joods-christelijk-islamitische traditie zal kennen en dat ze de islam wil helpen wortelen in de Nederlandse samenleving. Deze Minister toont daarmee aan dat ze knettergek is geworden." Klagers 1 argumenteren bij het HOF langs de lijn dat vijandige beeldvorming en het mede op basis daarvan aanzetten tot discriminatie voldoende moet worden geacht voor het aanzetten tot haat. Is het aannemelijk dat dit een ‘noodzakelijk verband’ is? Hoe verhoudt de dagvaarding van GW zich tot dagvaardingen naar aanleiding van (oproepen tot) intimidate, bedreiging en geweld van/tegen joden, christenen, geseculariseerden, homoseksuelen, vrije vrouwen, democraten, etc.? verschil in benadering met de VS Adam Liptak, Hate speech or free speech? What much of West bans is protected in U.S., New York Times, 11 juni 2008 http://www.nytimes.com/2008/06/11/world/americas/11iht-hate.4.13645369.html?pagewanted=1&_r=2 Steyn, the author of the Maclean's article, said the court proceeding illustrated some important distinctions. "The problem with so-called hate speech laws is that they're not about facts," he said in a telephone interview. "They're about feelings." "What we're learning here is really the bedrock difference between the United States and the countries that are in a broad sense its legal cousins," Steyn added. "Western governments are becoming increasingly comfortable with the regulation of opinion. The First Amendment really does distinguish the U.S., not just from Canada but from the rest of the Western world. details verloop zaak Wilders 20.1.2010 De advocaat Moszkowicz stelde dat Wilders niet kan worden vervolgd, omdat hij volksvertegenwoordiger is. Dat hij zijn gewraakte uitlatingen niet heeft gedaan in de Tweede Kamer, maakt volgens Wilders' advocaat niet uit. "Als Wilders geen parlementariër was geweest, had misschien wel niemand naar hem geluisterd. Dan zouden er geen interviews met hem zijn aangevraagd en zou hij geen film hebben gemaakt." Dat Wilders parlementariër is, doet volgens officier van justitie Van Roessel niet ter zake. Kamerleden doen wel vaak uitlatingen in de media, maar zijn daar uit hoofde van hun functie niet toe verplicht. Bovendien had Wilders ook als hij geen Kamerlid was geweest, interviews kunnen geven. Ongeveer tweehonderd aanhangers van Geert Wilders zijn woensdagochtend bij de rechtbank in Amsterdam bijeengekomen om te demonstreren tegen zijn proces. (nieuws.nl) Zij hadden onder andere spandoeken bij zich met de leus 'onze vrijheid ritueel geslacht'. Wilders en zijn advocaat Bram Moszkowicz willen zeventien deskundigen uit binnen- en buitenland als getuige oproepen. Het gaat om specialisten op het gebied van de vrijheid van meningsuiting en islamkenners, maar ook om radicale moslims en imams, waaronder Mohammed B., de moordenaar van Theo van Gogh, twee Iraanse ayatollahs en de radicale Haagse imam Fawaz Jneid. De PVV-leider stelt dat zij kunnen bevestigen dat hij de waarheid over de islam spreekt. (nieuws.nl, nu.nl) In een uitzending van Netwerk stelt advocaat Theo Hiddema het volgende: Wilders heeft niet om dit proces gevraagd. Hij loopt een groot risico als hij veroordeeld wordt of in dit proces blijft hangen naar een hoger beroep toe, dan kunnen zijn tegenstanders dat goed gebruiken. Wilders wil vanuit Europa iets doen aan de islamisering zoals hij dat ziet, en als Wilders in Nederland veroordeeld zou worden, krijgt hij grote problemen in het buitenland. Daar zit hij helemaal niet op te wachten. (..) Het bevel van het Amsterdamse hof aan het OM om Wilders te vervolgen is niet neergeschreven in de vorm van een advies maar in de vorm van een requisitoir. Fragment Wilders ter zitting: ‘Ik heb niets tegen moslims. Ik heb een probleem met de islam en de islamisering van ons land omdat de islam haaks op vrijheid staat. (.. mening of ‘waarheid’..) Het gaat bij dit proces ook om waarheidsvinding. Zijn de uitspraken die ik heb gedaan, zijn de vergelijkingen die ik heb getrokken, zijn die waar, zoals genoemd in de dagvaarding. Want, als iets waar is, kan het toch niet strafbaar zijn.’ Hiddema: Daarom is dit zo’n dom proces, want het ontwikkelt zich tot een groot drama. Wilders heeft een vergelijking gemaakt tussen de koran en Mein Kampf. Dat oogt op het eerste gezicht heel beledigend, dat kun je zo opvatten. Maar het is niet strafwaardig, als Wilders bewijst dat de vergelijking die hij maakt feitelijk onderbouwd kan worden. Nu moeten de rechters dus die twee boeken lezen, en zien in hoeverre die twee elkaar overlappen. Wilders gaat een verweer voeren waarin hij zegt dat bepaalde teksten uit de koran, als het gaat over en ophitsende werking, gewelddadigheid tegenover andersdenkenden, vrouwen, homoseksuelen, geloofafvalligheid, joden – zeer grote overeenkomsten vertonen wat betreft fascistoïde denkpatronen en oplossingen die geboden worden, zoals die ook in Mein Kampf worden bepleit. (..) Volgens het hof mag je de koran niet vergelijken met Mein Kampf – dat vind ik nogal aanmatigend. 1 het kan feitelijk kloppen wat Wilders zegt en 2 de groep die het hof in bescherming neemt, lijkt mij de enige liefhebbers van het boek wat al verboden is. Als ik zie hoe het lot, het verdiende lot van de Joden in de koran wordt beschreven, daar kan de heer A Hitler op sommige punten nog wel een puntje aan zuigen. En dat moet het hof nu constateren. Dat wordt een drama, want als het hof uitmaakt dat het feitelijk klopt, dan staat voor alle islamieten in Nederland de Nederlandse rechtsprekende macht te boek als anti-koran en dan heb je de poppen aan het dansen. Net werk laat nog de gevolgen zien van de veroordelingen van het Vlaams Blok (voor racisme) en het Front National (haatzaaiende uitspraken over buitenlanders) in België. De bevestiging van de veroordeling van Féret door het EHRM is ook relevant voor de zaak Wilders. De Winter (Vlaams Blok/Belang) meent dat een veroordeling van Wilders naar analogie van de teloorgang van Vlaams Blok en Front National in België grote gevolgen kan hebben voor de Wilders’ partij. Hiddema: het hof ziet rechtshandhaving als fundament voor het ongestoord verlopen van het integratieproces – daarom wordt Wilders vervolgd – hij zou het integratieproces verstoren. Daarom is het ook een politiek proces, want het integratieproces is geen neutraal gegeven. Wilders zou wanorde veroorzaken. De enige wanorde die verbonden is met het verschijnsel Wilders is het feit dat Wilders al jarenlang bewaakt wordt door zes bewakers en nergens in de straat zie je Wilders-bruinhemden die arme moslims opjagen – die hebben niks te vrezen. Alleen Wilders moet voor z’n leven vrezen. Polarisatie, tweedeling in de maatschappij wordt wel zichtbaar door Wilders, niet omdat hij haat zaait, maar omdat hij haat zichtbaar maakt – tegen hem en tegen zijn volgelingen. Hij wordt het kwaad genoemd, met de NSB vergeleken, er worden weer hakenkruisen uit de mottenkast gehaald, hij heeft meer last van agressie en wanorde dan dat van hem gezegd kan worden dat zijn volgelingen ervoor zorgen dat er een angstige moslimgroep in het land rondloopt. De enige wanorde die wij in Nederland zien, is dat Wilders beschermd moet worden. Verder heeft niemand iets te vrezen. |